1 juli 2016Onderwijsprestatie hogeschool economische activiteit: hogere btw-aftrek

Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de onderwijsactiviteit van een hogeschool die hiervoor collegegeld ontvangt een economische activiteit is. Omdat niet in geschil is dat de rijksbijdragen voor de btw niet de vergoeding vormen voor de onderwijsactiviteiten leidt tot een hogere pro rata-aftrek.

Een instelling voor hoger onderwijs (hierna: de hogeschool) verschaft wettelijk geregeld onderwijs en contractonderwijs. Daarnaast verricht zij nog enkele activiteiten die samenhangen met het onderwijs, zoals het verrichten van onderzoek, de exploitatie van een kantine, het verzorgen van kopieerwerk en het verhuren van ruimten. De hogeschool financiert haar activiteiten vanuit diverse inkomstenbronnen, waaronder ruim € 14,3 miljoen aan rijksbijdragen en ruim € 4,7 miljoen aan collegegelden. De hogeschool is van mening dat bij de berekening van de pro rata-aftrek de door haar ontvangen rijksbijdragen niet als vergoedingen meegenomen kunnen worden in de totale omzet. De door haar ontvangen collegegelden kwalificeren naar de mening van de hogeschool wel als vergoedingen voor door haar geleverde prestaties, namelijk het verstrekken van onderwijs. De inspecteur van de Belastingdienst meent daarentegen dat de collegegelden geen vergoeding vormen voor de prestaties van de onderwijsinstelling.

In eerste aanleg oordeelt Rechtbank Noord-Nederland dat het collegegeld de vergoeding is voor de onderwijsprestatie, zodat de onderwijsdiensten kwalificeren als economische activiteiten. Het standpunt van de inspecteur dat de btw-aftrek moet worden bepaald aan de hand van financieringsbronnen wordt door de rechtbank verworpen.

In hoger beroep stelt Hof Arnhem Leeuwarden vast dat partijen voor de beslechting van dit geschil ervan uitgaan dat alle studenten die onderwijs genieten aan de hogeschool collegegeld betalen. Tevens is niet in geschil dat 22% van de totale kosten van de hogeschool worden gedekt door de ontvangen collegegelden. Ook is, net als in eerste aanleg, niet in geschil dat de rijksbijdragen geen belaste vergoeding vormen (bedoeld zal zijn: niet de vergoeding vormen voor een prestatie). Het hof oordeelt dat de rechtbank – gelet op het Gemeente Borsele-arrest van het HvJ – een onjuiste toets heeft aangelegd. Uit dit arrest volgt immers dat de vaststelling dat een dienst tegen vergoeding wordt verricht onvoldoende is om de dienst als een economische activiteit aan te merken. Naar het oordeel van het hof biedt de hogeschool haar activiteiten aan op de algemene markt van onderwijs. In dit opzicht verschilt de situatie met het Gemeente Borsele-arrest waarin door de gemeente geen prestaties werden aangeboden op de algemene markt voor personenvervoer. Vaststaat dat de collegegelden niet kostendekkend zijn. Dit laat onverlet dat de hogeschool een markt betreedt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat iedere student collegegeld moet betalen en dat de hoogte van de vergoeding niet symbolisch is (met de collegegelden worden 22% van de kosten gedekt). Het hof oordeelt daarom dat de hogeschool met het onderwijs een economische activiteit verricht. Het hof oordeelt tevens dat art. 11 Uitv.Besch. OB niet voorziet in de door de inspecteur bepleite splitsing van de btw aan de hand van financieringsbronnen waardoor deze stelling geen grond vindt in de wettelijke bepalingen.

 De uitspraak van het hof is van belang voor MBO- en HBO-instellingen en universiteiten die zowel wettelijk collegegeld als rijksbijdragen ontvangen. Het hof oordeelt in deze zaak in navolging van de rechtbank dat de onderwijsactiviteiten waarvoor de hogeschool de collegegelden ontvangt een economische activiteit is. Deze activiteit is btw-vrijgesteld. Ten aanzien van de rijksbijdragen is door de inspecteur in deze zaak het standpunt ingenomen dat die niet de vergoeding vormen de onderwijsactiviteiten. Dit betekent dat deze rijksbijdragen die de belangrijkste inkomstenbron vormt voor de hogeschool niet meetelt in de noemer van het pro rata. Hierdoor valt het pro rata voor de hogeschool een stuk gunstiger uit. De pogingen van de inspecteur om de btw-aftrek te bepalen aan de hand van financieringsbronnen stranden, aangezien hiervoor geen wettelijke basis bestaat. Toch kan op basis van deze uitspraak nog niet gezegd worden dat het pro rata van alle MBO-, HBO- en universiteiten die voor de onderwijsactiviteiten rijksbijdragen en collegegelden ontvangen een stuk hoger uitvalt. In deze zaak is door de inspecteur niet betwist dat de rijksbijdragen niet (een onderdeel van) de vergoeding vormen voor het wettelijk geregeld onderwijs. Het is niet uit te sluiten dat als de inspecteur dit wel had betwist dat het hof tot het oordeel was gekomen dat zowel de rijksbijdragen als het collegegeld de vergoeding vormen voor het btw-vrijgestelde onderwijs, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de rijksbijdragen wel de pro rata-aftrek beïnvloeden. Het is daarom afwachten hoe de Belastingdienst met deze uitspraak zal omgaan. Zie 10.4 voor meer informatie over de pro rata-aftrek.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op