3 oktober 2016Onderwijsinstelling en BV voor facilitaire diensten vormen fiscale eenheid btw

Tussen een onderwijsinstelling en een BV die is opgericht voor het verrichten van facilitaire diensten voor de onderwijsinstelling bestaat volgens Rechtbank Den Haag een fiscale eenheid, aangezien tussen belanghebbenden sprake is van financiële, organisatorische en economische verwevenheid.

Stichting X is een christelijke onderwijsinstelling voor primair, speciaal en voortgezet onderwijs en beschikt over diverse schoolgebouwen. Begin 2009 heeft X een BV opgericht, waarin zij alle aandelen bezit. De BV heeft ten doel het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden en/of overige facilitaire werkzaamheden ten behoeve van X en eventueel andere met X contractueel of vennootschappelijk verbonden partijen. De BV heeft in maart 2009 een toezichtovereenkomst gesloten met bedrijf A, die inhoudt dat A het toezicht zal uitvoeren op de door de BV uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden, en een overeenkomst met bedrijf B, die inhoudt dat B de salarisadministratie van de BV zal verzorgen. Vervolgens hebben X en de BV een overeenkomst voor schoonmaakonderhoud gesloten.

Vanaf mei 2009 zijn X en de BV op hun verzoek door de inspecteur van de Belastingdienst aangemerkt als fiscale eenheid btw. Eind 2012 heeft de inspecteur meegedeeld dat de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 2013 wordt beëindigd, omdat de volledige, dagelijkse leiding van de BV en het nemen van essentiële bedrijfsbeslissingen bij A ligt en bovendien niet is voldaan aan de eis van economische verwevenheid, omdat de werkzaamheden in hoofdzaak plaatsvinden ten behoeve van de niet-economische activiteiten van X, te weten het geven van onderwijs waar geen vergoeding tegenover staat. De BV heeft hiertegen bezwaar en beroep aangetekend.

Rechtbank Den Haag heeft recent in deze zaak geoordeeld dat X en de BV een fiscale eenheid vormen voor de btw. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel X als de BV de hoedanigheid van ondernemer heeft. Evenmin is in geschil dat X 100% van de aandelen in de BV bezit, enig bestuurder is van X en dat de bestuursfuncties bij de BV en X worden uitgevoerd door dezelfde personen. De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat hieraan voorbij moet worden gegaan omdat de aansturing van de BV plaatsvindt door A. A speelt weliswaar een belangrijke rol, maar de inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zeggenschap van X over de BV wordt aangetast door de afspraken die met A zijn gemaakt. Er is dus sprake van financiële en organisatorische verwevenheid. Daarnaast is volgens de rechtbank sprake van economische verwevenheid, aangezien de BV uitsluitend prestaties verricht aan X, hieraan een overeenkomst ten grondslag ligt en de BV voor deze prestaties heeft gefactureerd aan X. De bemoeienis van A brengt niet mee dat de Bv niet geacht moet worden degene te zijn die de schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Tot slot heeft het feit dat X, zoals de inspecteur stelt, ook veel niet-economische activiteiten verricht, niet tot gevolg dat er geen economische verwevenheid kan bestaan, aldus de rechtbank, omdat slechts vereist is dat de onderdelen van een fiscale eenheid btw-ondernemer zijn maar niet bepaald is wat de omvang van hun ondernemersactiviteiten zou moeten zijn.

De inspecteur draagt in zijn verweer aan dat de onderwijsactiviteiten van X niet-economische activiteiten zijn. Deze opvatting van de inspecteur is de afgelopen jaren gehoord. Uit het arrest HR 15 juni 2012, nr. 10/01746 is door de staatssecretaris namelijk afgeleid dat door een ROC ontvangen overheidssubsidie en les- en cursusgelden niet de vergoedingen zijn die in rechtstreeks verband staan met het verstrekte wettelijk geregelde beroepsonderwijs (lees: het onderwijs is een niet-economische activiteit van het ROC). Naar onze mening valt te betwijfelen of dit uit het ROC-arrest afgeleid mag worden. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank niet in op de bewering van de inspecteur, maar merkt de rechtbank slechts op dat de omvang van de ondernemersactiviteiten van X in casu niet relevant is. Zie