14 augustus 2015Ondernemingspensioenfonds recht op btw-aftrek transitiekosten

Een ondernemingspensioenfonds voerde tot de datum van liquidatie (1 januari 2012) de collectieve regeling uit van een concern en een aantal voormalige vennootschappen van dit concern (hierna: het concern). Per 31 december 2008 kwam het fonds in een situatie van onderdekking. Het concern was verplicht om dit tekort aan te vullen door het betalen van herstelpremies. Naar aanleiding van de hoogte van de herstelpremies is een geschil ontstaan tussen het fonds en het concern. In juni 2010 heeft het concern aan het fonds kenbaar gemaakt dat hij de pensioenregeling bij Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Metalelektro (ME) onderbrengt. Het fonds heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan een overgang van het gehele vermogen en alle aanspraken van de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden aan ME. In april 2011 zijn principeovereenkomsten gesloten waarin staat dat het concern maximaal voor een bedrag van € 10 miljoen bijdraagt in de overgangskosten.

De pensioenregelingen zijn door een collectieve waardeoverdracht per 1 januari 2012 overgedragen aan ME. Deze collectieve waardeoverdracht is door de inspecteur aangemerkt als een niet-belastbare overdracht van een onderneming ex art. 37d Wet OB. Het fonds heeft aan het concern facturen uitgereikt voor een bedrag van € 9.920.000 plus btw voor de overgangskosten. Het concern heeft deze btw met toestemming van de inspecteur in aftrek gebracht. In verband met de overdracht heeft het fonds in het vierde kwartaal van 2012 voor € 607.555 (incl. € 102.694 btw) kosten gemaakt. Deze btw is door het fonds niet in aftrek gebracht. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd van € 10.402, zijnde de wel aangegeven maar niet voldane btw wegens de doorbelasting van kosten. In bezwaar heeft het fonds verzocht om een teruggaaf van € 92.292 (€ 102.694 – € 10.402). De inspecteur heeft in de uitspraak op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag afwijzend beslist en aangegeven dat geen recht bestaat op teruggaaf.

Naar het oordeel van Rechtbank Gelderland kan zij uitsluitend een beslissing nemen over de naheffingsaanslag. De rechtbank is van oordeel dat het fonds niet heeft bewezen dat het fonds belaste prestaties heeft verricht, dat het fonds evenmin optreedt als commissionair en dat de inspecteur de aftrek terecht heeft geweigerd. Hof Arnhem Leeuwarden oordeelt in hoger beroep daarentegen dat het fonds met het concern een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke de kosten (grotendeels) aan het concern zijn doorbelast. De doorbelasting van kosten is een economische activiteit die aan btw-heffing is onderworpen, omdat de inspecteur het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Het fonds kan de btw daarom in aftrek brengen voor zover de transitiekosten zijn doorbelast aan het concern. Het hof vernietigt de naheffingsaanslag die door de inspecteur is opgelegd.

Het fonds heeft in deze zaak weinig gelukkig gehandeld door in de aangifte over het vierde kwartaal wel de verschuldigde btw over de in dat tijdvak doorbelaste kosten (€ 10.402) aan te geven, maar deze btw niet te voldoen. Doordat het fonds niet direct in de aangifte heeft verzocht om een teruggaaf van (per saldo) € 92.292 of de in de aangifte vermelde btw heeft voldaan en vervolgens bezwaar ingediend, hebben de rechtbank en het hof slechts beoordeeld of de naheffingsaanslag ten bedrage van € 10.402 terecht is opgelegd. Het fonds moet nu maar hopen dat de inspecteur bereid is om op verzoek alsnog ambtshalve een teruggaaf te verlenen van € 92.292.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op