4 december 2017Onderbrengen sportaccommodatie in exploitatiestichting vanwege btw-aftrek renovatie geen misbruik van recht

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een opgezette structuur om btw-aftrek te bewerkstelligen voor de aanstaande renovatie van een sportaccommodatie niet kwalificeert als misbruik van recht.

Feiten
Tennisvereniging D huurde tot en met 31 december 2009 een sportcomplex van de gemeente. Het sportcomplex omvat onder meer een kantine inclusief bar, zeven tennisbanen en twee kleedkamers. De gemeente is eigenaar van dit sportcomplex en de tennisvereniging droeg tijdens deze periode zorg voor het onderhoud en het beheer. De jaarlijkse vergoeding bedroeg € 45,38 (fl. 100,-). Omdat er hoge renovatiekosten op het spel staan, wordt op 28 december 2009 een stichting opgericht. Vanaf 1 januari 2010 huurt de stichting het sportcomplex van de gemeente en huurt D het voor €40.000, plus 6% btw, per jaar van de stichting. Hierbij is ook overeengekomen dat de stichting het complex aan derden mag verhuren. Naar aanleiding van een verzoek om teruggaaf op 25 augustus 2010 over het eerste kwartaal in 2010 heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij de stichting. Naar aanleiding van dit onderzoek is de gevraagde teruggaaf geweigerd en een naheffingsaanslag opgelegd van € 10.491 aan btw. Na afwijzing van het bezwaar stelt de stichting beroep in bij Rechtbank Noord-Holland.

Procedure
De rechtbank oordeelt dat sprake is van misbruik van recht waardoor dientengevolge geen recht op btw-aftrek bestaat. Tegen deze uitspraak is hoger beroep aangetekend bij Hof Amsterdam. Hof Amsterdam oordeelt dat de handelingen van de stichting geen schijnhandelingen zijn. Volgens het hof is namelijk niet gebleken dat de handelingen niet stroken met de werkelijke bedoeling van partijen. Ook is er volgens het hof geen sprake van misbruik van recht. Het hof acht daarbij onder andere van belang dat er een marktconforme huur wordt betaald, zodat niet kan worden vastgesteld dat de stichting een belastingvoordeel ontvangt in strijd met het doel van de bepalingen in de btw-richtlijn en de nationale btw-wetgeving. De stelling van de inspecteur, dat sprake is van de verhuur van een onroerende zaak, wordt ook verworpen door het hof, omdat er volgens het hof sprake is van de gelegenheid geven tot sportbeoefening door de stichting aan D. Het hof vernietigt de btw-naheffingsaanslag. De staatssecretaris gaat in cassatie.

Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt ten eerste dat de dienstverlening van de stichting aan D niet is aan te merken als de vrijgestelde verhuur van een sportcomplex. De Hoge Raad stelt daarbij dat de stichting specifieke, voor de tennissport geschikte voorzieningen ter beschikking stelt aan D en aan andere gebruikers. Tevens neemt de stichting ook het beheer en het onderhoud van deze voorzieningen voor haar rekening. Ook wijst de Hoge Raad er op dat de stichting als aanvullend dienstbetoon op de terbeschikkingstelling van de tennissportvoorzieningen, de bar in de kantine doet exploiteren.

Ook stelt de Hoge Raad, in overeenstemming met het hof, dat geen sprake is van schijnhandelingen, omdat zich hier niet de situatie voordoet dat partijen – in weerwil van de gepresenteerde overeenkomsten – rechtshandelingen zijn aangegaan dan wel dat zij in werkelijkheid andere rechtshandelingen zijn aangegaan dan zij volgens die overeenkomsten hebben gepresenteerd.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad, in overeenstemming met het hof, dat geen sprake is van misbruik van recht. De Hoge Raad stelt dat een sportorganisatie die ervoor kiest het gebruik van een sportaccommodatie niet in eigen beheer te nemen of te houden, doch dit gebruik verwezenlijkt door de accommodatie – inclusief beheer en onderhoud – tegen vergoeding van een derde ter beschikking gesteld te krijgen, niet handelt in strijd met doel en strekking van de wet. Dit wordt niet anders indien desbetreffende sportorganisatie haar activiteiten op enig moment zodanig wijzigt dat deze activiteiten tot een lagere belastingschuld (kunnen) leiden, ook niet indien die wijziging inhoudt dat een sportcomplex buiten eigen beheer wordt gebracht, en de nieuwe beheerder de nodige renovatie van dat sportcomplex voor zijn rekening neemt, dit tenzij de nieuwe situatie economische realiteit ontbeert. Bij de beoordeling van de economische realiteit volgt de Hoge Raad de stelling van het hof en oordeelt dat de stichting en D vanaf het begin hebben beoogd als van elkaar onafhankelijke partijen onder marktconforme condities te handelen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. 

 De Belastingdienst ageert fel tegen btw-structuren met sportaccommodaties en schoolgebouwen. In deze zaak haalt de inspecteur bakzeil. Het is opvallend dat in misbruik-van-recht-zaken blijkt dat rechters op basis van dezelfde feiten tot een verschillend oordeel komen. Ook in deze zaak is dit aan de orde. Hieruit blijkt dat onduidelijkheid bestaat over de grens tussen gebruik en misbruik van btw-recht. De stichting in deze zaak lijkt met de schrik vrij te komen, aangezien het hof feitelijk heeft vastgesteld dat een normale huurprijs is berekend en dit oordeel in cassatie, behoudens onbegrijpelijkheid in het licht van de gedingstukken, door de Hoge Raad niet kan worden getoetst. Tot nu toe is de Belastingdienst weinig succesvol in de pogingen om btw-structuren met schoolgebouwen en sportaccommodaties aan te pakken. Deze uitspraak biedt echter geen zekerheid met betrekking tot de aftrek van voorbelasting voor bestaande en nieuwe opgezette btw-structuren met schoolgebouwen en sportaccommodaties. Voor meer informatie over misbruik van recht zie