21 februari 2013Objectieve inhoud van ingekochte dienst is bepalend voor recht op btw-aftrek

Een btw-ondernemer heeft recht op aftrek van voorbelasting indien hij een goed of dienst (bestemt voor) belast gebruik(t). Hieruit volgt dat sprake moet zijn van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen het ingekochte goed of dienst en een of meer handelingen die de btw-ondernemer in een later stadium verricht en waarvoor recht op aftrek bestaat. Dit rechtstreeks en onmiddellijk verband stond ter discussie in een recente procedure voor het HvJ EU. 

De Duitse Becker oefende voor eigen rekening een ondernemersactiviteit uit. Daarnaast was hij meerderheidsaandeelhouder van A, een vennootschap die bouwwerkzaamheden uitvoerde. Becker en A vormden samen een fiscale eenheid voor de btw. P, de procuratiehouder van A, werd naderhand ook zaakvoerder van A. In 2005 zijn tegen Becker en P strafrechtelijke procedures gestart, omdat partijen corrupt hadden gehandeld ten gunste van A. Bij deze strafprocedures werden advocaten ingeschakeld voor A, Becker en P, waarvoor overeenkomsten werden opgesteld die door A werden ondertekend en waarvan de kosten werden gefactureerd aan A. Vervolgens is de btw op deze advocaatkosten in aftrek gebracht door Becker. De Duitse belastingdienst meende echter dat sprake is van niet-aftrekbare btw en heeft Becker daarom een naheffingsaanslag opgelegd. Becker was een tegengestelde mening toegedaan. Het Duitse Bundesfinanzhof, dat moest beoordelen of deze naheffing terecht was opgelegd, heeft het HvJ EU de vraag gesteld of bij het bepalen van het rechtstreeks en onmiddellijk verband moet worden uitgegaan van de objectieve inhoud van de verkregen dienst (in casu de bijstand van de advocaten), dan wel van de oorzaak voor de verkrijging van de dienst (in casu de economische activiteit die heeft geleid tot de strafprocedure).

Het HvJ EU heeft geoordeeld dat bij het bepalen van het rechtstreeks en onmiddellijk verband niet moet worden uitgegaan van de oorzaak, maar van de objectieve inhoud van de verkregen dienst. De oorzaak voor de verkrijging van de dienst kan echter wel worden gebruikt als criterium ter bepaling van de objectieve inhoud ervan. In casu werd met de verkregen bijstand van de advocaten beoogd de belangen van de verdachten, de natuurlijke personen Becker en P, rechtstreeks en onmiddellijk te beschermen. Hoewel de onderneming A niet werd vervolgd, was hij wel degene die de kosten betaalde. De advocaatkosten zijn echter niet gemaakt ten behoeve van de gehele belastbare activiteit van A. Om die reden bestond geen recht om de btw op de kosten als voorbelasting in aftrek te brengen, aldus het oordeel van het HvJ EU.

Zie 10.1 voor meer informatie over het recht op aftrek van voorbelasting.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op