24 juni 2019Nultarief voor levering en bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee niet van toepassing op drijvende installaties

Feiten

Grup Servicii Petroliere SA (hierna: GSP) heeft in 2008 drie opvijzelbare offshore boorplatformen verkocht aan Maltese klanten. De platformen bevonden zich in de Zwarte Zee. De levering is tot stand gekomen zonder dat de platformen zijn verplaatst. In geschil is of de vrijstelling van art. 148, onderdeel c, btw-richtlijn van toepassing is: de levering van schepen voor de vaart op volle zee.

HvJ

Het HvJ stelt dat hier vaststaat dat de opvijzelbare offshore boorplatformen mobiele offshore boorinstallaties zijn die bestaan uit een drijvend ponton waarop verschillende beweegbare pijlers zijn gemonteerd die bij het slepen naar de boorplaats worden opgetrokken. Dit ponton wordt bij aankomst op de boorlocatie tot enkele tientallen meters boven zeeniveau getild door deze pijlers neer te laten, zodat ze op de zeebodem steunen, om op die manier te worden gebruikt als een statisch platform.

Gelet op deze kenmerken worden de offshore boorplatformen volgens het HvJ niet hoofzakelijk gebruikt om te varen, zodat deze drijvende installaties niet kunnen worden aangemerkt als installaties voor de vaart op volle zee in de zin van art. 148 btw-richtlijn. De offshore boorplatformen dienen daarentegen in hoofdzaak toe in stilstaande positie offshore koolwaterstofvelden te exploiteren.

Het HvJ komt tot de conclusie dat de vrijstelling van art. 148 btw-richtlijn voor levering en bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee niet van toepassing is op drijvende installaties, zoals opvijzelbare offshore boorplatformen.
Voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee geldt in Nederland een 0%-tarief (art. 9 lid 2, onderdeel a Wet OB juncto tabel 2 post a4). De btw-richtlijn duidt dit aan als een vrijstelling mét recht op aftrek (art. 148 btw-richtlijn).

Voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee geldt in Nederland een 0%-tarief (art. 9 lid 2, onderdeel a Wet OB juncto tabel 2 post a4). De btw-richtlijn duidt dit aan als een vrijstelling mét recht op aftrek (art. 148 btw-richtlijn).

Belang voor de praktijk

De uitspraak van het HvJ is niet in overeenstemming met het Besluit van de Staatssecretaris van 13 november 2018, nr. 2018-155014. De Staatssecretaris van Financiën meent namelijk dat ook vaartuigen waarbij het varen van bijkomstige betekenis ten opzichte van hun hoofdfunctie kunnen kwalificeren als schepen die worden gebruikt op volle zee. De Staatssecretaris doelt hiermee op vaartuigen die vanwege hun hoofdfunctie alleen in de offshore-industrie worden ingezet, zoals bijvoorbeeld drijvende boorplatforms die al dan niet op de zeebodem kunnen worden geplaatst, baggerschepen, pontons en schepen waarmee in zee kabels of pijpleidingen worden gelegd. De uitspraak van het HvJ heeft tot gevolg dat dit Besluit zal moeten worden aangepast, aangezien dit niet door de Europese beugel kan.

Naar onze mening kan de uitspraak van het HvJ in Nederland nog niet aan ondernemers die drijvende installaties leveren/bevoorraden worden tegengeworpen. Ons inziens zal de Staatssecretaris eerst zijn Besluit moet aanpassen. Dit geeft deze ondernemers nog even lucht. Voor ondernemers die (in de toekomst) buiten de boot zullen vallen met betrekking tot het 0% btw-tarief, is het van belang de gevolgen voor de btw in kaart te brengen. Doordat het nultarief voor levering en bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee niet van toepassing is op drijvende installaties, zullen deze ondernemers bij wijziging van het Besluit voortaan 21% btw in rekening moeten brengen. Voor het in kaart brengen van deze gevolgen en het voorkomen van eventuele btw-risico’s is BTW-INSTITUUT u hierbij uiteraard graag van dienst. Mocht u vragen hebben naar aanleiding van deze uitspraak van het HvJ dan kunt u contact opnemen met BTW-INSTITUUT.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op