11 mei 2017Nultarief voor laden en lossen zeeschepen niet beperkt tot eindschakel

Voor handelingen ten aanzien van zeeschepen geldt een btw-vrijstelling. De btw-vrijstelling is in ieder geval van toepassing voor de handelingen die in de laatste schakel (aan de rederij/scheepsexploitant) worden verricht. In de prejudiciële zaak A Oy is de vraag aan de orde of de btw-vrijstelling met recht op btw-aftrek (hierna: het nultarief) ook mag worden toegepast in een eerdere schakel.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. A Oy (hierna: A) verricht diensten die onder meer bestaan uit het laden en lossen van schepen voor de vaart op volle zee. A schakelt hiervoor een onderaannemer in die de werkzaamheden uitvoert. Deze onderaannemer factureert aan A en A berekent dit door aan de rederij/scheepsexploitant. Voor de werkzaamheden die de onderaannemer verricht, wil A de btw-vrijstelling van art. 148 btw-richtlijn toepassen. De centrale belastingcommissie van Finland heeft dit verzoek afgewezen. Tegen deze beslissing is A opgekomen bij de hoogste bestuursrechter in Finland die vervolgens de zaak heeft voorgelegd aan het HvJ.

Het HvJ oordeelt dat de hijsdiensten kwalificeren als diensten die voor de rechtstreekse behoeften van de lading van een schip nodig zijn, omdat het vervoer van een lading immers een gebruikelijke exploitatievorm van schepen voor de vaart op volle zee vormt. Om ervoor te zorgen dat een lading kan worden vervoerd, is het noodzakelijk dat die lading aan boord van het schip wordt gebracht in de haven van vertrek en vervolgens wordt gelost in de haven van bestemming. Vervolgens was de vraag of het nultarief ook van toepassing is op deze hijsdiensten als deze diensten in een eerdere schakel plaatsvinden. Uit de letterlijke bewoordingen van art. 148, onderdeel d btw-richtlijn volgt niet dat het nultarief beperkt is tot een specifieke fase van de handelsketen en bepaalt deze evenmin aan wie deze diensten in rekening moeten worden gebracht. Daarnaast zal, gelet op het opschrift van de titel in de btw-richtlijn, een beperking van deze vrijstelling tot de laatste schakel indruisen tegen het doel om het internationale vervoer van goederen of mensen te bevorderen. In het kader van de commissionairsfictie worden er geacht twee diensten te zijn verricht: van de onderaannemer aan A en van A aan de rederij/scheepsexploitant. De tussenplaatsing van een tussenpersoon in deze keten kan dan geen afbreuk doen aan de toepassing van het nultarief. Het nultarief ziet namelijk op de verrichte diensten en niet op de fase van de handelsketen waarin deze diensten worden verricht. De voorwaarde is wel dat de hijsdiensten die aan de tussenpersoon worden verricht in het kader van diezelfde handelsketen plaatsvinden. Dit betekent dat hijsdiensten bestaande in het laden en lossen, die rechtstreeks samenhangen met de vervoerde lading en worden verricht voor een tussenpersoon die bijvoorbeeld de lading onder zich hebben, delen in het nultarief.


 Het HvJ is van oordeel dat de toepassing van het nultarief voor de handelingen met betrekking tot zeeschepen afhankelijk is van de aard van de dienst die wordt verricht en niet zozeer van de hoedanigheid van de opdrachtgever. In andere arresten van het HvJ, waaronder Elmeka is de hoedanigheid van de opdrachtgever wel doorslaggevend geacht. Het verschil in behandeling valt te verklaren uit het feit dat de eindbestemming bij onderhavige hijsdiensten gemakkelijker te controleren valt dan bij het leveren van brandstof. Het oordeel van het HvJ is in overeenstemming met de ruime toepassing van het nultarief in Nederland op diensten in een zeehaven met betrekking tot het in- en uitgaande vervoer.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op