1 december 2016Notariële akte van levering geen factuur

Een notariële akte is naar het oordeel van de Hoge Raad niet aan te merken als een factuur in de zin van art. 37 Wet OB indien daarin slechts vermeld is dat partijen ten overstaan van de notaris verklaren dat over de koopsom btw verschuldigd is en dat de verkoper kwijting verleent voor de betaling van de koopsom.

V.O.F. X (hierna: X)  heeft in 2001 aan twee verschillende kopers delen van een bouwterrein verkocht en deze geleverd bij akten van 12 april 2001. In de akten stond de koopprijs “exclusief 19% omzetbelasting” vermeld. Verder stond vermeld: “Voormelde koopsom en de daarover verschuldigde omzetbelasting zijn door koper voldaan door storting op een rekening derdengelden. (…) Verkoper verleent kwitantie voor de betaling van de koopprijs.” De twee kopers waren btw-ondernemers. X heeft ter zake van de leveringen geen btw op aangifte voldaan. In augustus 2001 heeft X een vrachtwagen verkocht en geleverd en daarvoor op 30 augustus 2001 een factuur uitgereikt, waarop een koopsom alsmede een btw-bedrag stond vermeld. X heeft dit btw-bedrag niet op aangifte voldaan.

Op 27 juni 2006 heeft de inspecteur van de Belastingdienst aan X, zonder haar daarvan vooraf in kennis te stellen, een naheffingsaanslag met een boete opgelegd omdat X geen btw had voldaan ter zake van de levering van de bouwterreinen en de vrachtwagen (naheffingsaanslag 1). Daarna heeft de inspecteur nog een naheffingsaanslag met een boete opgelegd, omdat in de periode van 2001 tot en met 2005 ten onrechte btw in aftrek is gebracht (naheffingsaanslag 2). Naheffingsaanslag 1 is op grond van art. 10 Invorderingswet 1990 terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaard en aan X uitgereikt met de uitvaardiging van een dwangbevel. Aangezien de aanslag niet direct werd betaald door X, heeft de ontvanger beslag gelegd op twee onroerende zaken. Nadat X bij de inspecteur bezwaar had gemaakt en bij de rechtbank in verzet was gekomen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, zijn geen verdere (onherroepelijke) invorderingsmaatregelen genomen in afwachting van de uitspraak van de inspecteur. De inspecteur heeft het bezwaar van X tegen naheffingsaanslag 1 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en de hoogte van de opgelegde boeten verminderd. 

Na het instellen van beroep door X hebben zowel Rechtbank Arnhem als Hof Arnhem-Leeuwarden een oordeel geveld in deze zaak. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen naheffingsaanslag 1 ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. Omdat X de rechtbank verzoekt de zaak niet terug te verwijzen naar de inspecteur, voorziet de rechtbank zelf in de zaak. De rechtbank laat de naheffingsaanslagen 1 en 2 in stand, maar vermindert de opgelegde boeten. In hoger beroep oordeelt het hof dat de inspecteur het unierechtelijke beginsel van de verdediging niet heeft geschonden, omdat – gelet op het door X ingestelde bezwaar en de opschorting van de uitvoering van het dwangbevel – toereikend is geweest dat X zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken tijdens de bezwaarfase. Ook heeft het hof geoordeeld dat de notariële akten aan te merken zijn als facturen en dat X de op de akten vermelde btw in ieder geval verschuldigd is op grond van art. 37 Wet OB. X heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld. Het hof heeft de opgelegde boeten vernietigd.

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat niet – zoals het hof oordeelde – vast is komen te staan dat de schending van het verdedigingsbeginsel geen nadelige gevolgen heeft gehad voor het maken van effectief bezwaar. Voor deze vaststelling is het namelijk niet alleen van belang dat wettelijk de mogelijkheid bestaat om bezwaar te maken tegen een belastingaanslag, maar ook dat de inspecteur het betreffende bezwaarschrift volgens de daarvoor geldende processuele regels heeft behandeld. Dit is niet het geval geweest, aangezien de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit middel kan naar het oordeel van de Hoge Raad echter niet tot cassatie leiden, omdat X de rechtbank heeft verzocht de zaak niet terug te verwijzen naar de inspecteur en de inspecteur het bezwaarschrift daarom niet alsnog volgens de daarvoor geldende processuele regels in behandeling heeft kunnen nemen.

Met betrekking tot de notariële akten komt de Hoge Raad tot het oordeel dat deze akten niet méér inhouden dan de ten overstaan van de notaris afgelegde verklaring van partijen bij de (ver)koopovereenkomst. De akten laten geen andere conclusie toe dan dat in deze akten niet de betaling van een bedrag wordt gevorderd. Aangezien de Hoge Raad in een arrest uit maart 2016 geoordeeld heeft dat een factuur een bescheid is waarop de betaling van een bedrag wordt gevorderd, zijn deze akten niet aan te merken als een factuur in de zin van art. 37 Wet OB. Hierin ligt besloten dat de opvatting van de Hoge Raad die blijkt uit arresten uit 1984 en 1989, namelijk dat een passage uit een notariële akte van levering zoals in onderhavige akten volstaat om die akte aan te merken als een factuur in de zin van art. 37 Wet OB, onverenigbaar is met het recent gewezen arrest. X is uit hoofde van de notariële akten geen btw verschuldigd geworden, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof ’s Hertogenbosch voor de behandeling van de vraag of X ten tijde van de levering buiten Nederland was gevestigd (de firmanten van X woonden ten tijde van de levering namelijk in Duitsland respectievelijk Nieuw-Zeeland) en, als dit het geval is, of X op één of meer facturen btw heeft vermeld. 

 Met dit arrest komt de Hoge Raad terug op zijn opvatting die blijkt uit de arresten BNB 1985/44 en BNB 1990/66 waarin hij oordeelde dat notariële akten van levering zoals in deze zaak facturen zijn. Het is opvallen dat de Hoge Raad destijds het advies van A-G Van Soest in de wind heeft geslagen door geen prejudiciële vragen te stellen en nu omgaat zonder dat duidelijk wordt of de Hoge Raad heeft getoetst op zijn nieuwe opvatting door de unierechtelijke beugel kan. De definitie van het begrip ‘factuur’, namelijk ‘elk bescheid waarin van een ander betaling wordt gevorderd’, blijft ook na dit arrest ruim. Uit dit arrest volgt naar onze mening niet dat de notariële akte van levering volgens de Hoge Raad nooit een factuur is. De Hoge Raad oordeelt nadrukkelijk dat de akten in deze procedure(!) niet kwalificeren als een factuur. Een akte van levering kan dus wel een factuur zijn. Wil een akte van levering een factuur zijn dan zal hierin nadrukkelijk vermeld moeten worden dat de verkoper de koopsom plus de hierover verschuldigde btw van de koper vordert. Zie 14.2.3 voor meer informatie over de inhoud van een factuur.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op