3 juni 2016Non-profitinstellingen btw-ondernemer voor exploitatie cultuurtechnische bouwwerken

Non-profitinstellingen die tegen een geringe vergoeding cultuurtechnische bouwwerken exploiteren zijn hiervoor volgens het HvJ in beginsel btw-ondernemer.

In de zaak Lajvér Meliorációs Nonprofit Kft. en Lajvér Csapadékvízrendezési Nonprofit Kft. (hierna: de Kft.’s) gaat het om de gelijknamige Hongaarse vennootschappen die geen winstoogmerk hebben en slechts bijkomstig inkomsten kunnen verwerven. De Kft.’s zijn opgericht om cultuurtechnische bouwwerken, een drainagesysteem, een waterreservoir en een put voor alluviale afzettingen op aan hun vennoten toebehorende percelen grond, aan te leggen en te exploiteren. De kosten voor de aanleg zijn gefinancierd met staatsmiddelen en middelen van de EU. Voor de uitvoering van de werkzaamheden beschikken de Kft.’s over de vergunningen en de toestemming van de eigenaren van de betreffende percelen grond. De afspraak was dat de Kft.’s gedurende acht jaar een vergoeding aan de eigenaren in rekening brengen voor de exploitatie van de cultuurtechnisch bouwwerken. De Kft.’s hebben de btw op de aanlegkosten volledig in aftrek gebracht, welke aftrek door de Hongaarse fiscus is geweigerd omdat geen sprake is van een economische activiteit. In eerste aanleg heeft de Hongaarse rechter de fiscus in het gelijk gesteld. In hoger beroep besluit het Hongaarse hooggerechtshof prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ.

De Hongaarse rechter wenst van het HvJ te vernemen of de Kft.’s handelen als belastingplichtige wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat de verrichte werkzaamheden niet zijn uitgesloten van het begrip economische activiteit, ook al mogen de Kft.’s slechts bijkomstig een economische activiteit op commerciële wijze verrichten. Daarnaast vraagt de rechter zich af of het voor de hoedanigheid van belastingplichtige van belang is dat een aanzienlijk deel van de investeringen met staatssteun gefinancierd wordt en voor de exploitatie slechts een geringe vergoeding wordt ontvangen. Zo nee, dan vraagt de rechter zich af of deze vergoeding is aan te merken als de tegenprestatie voor een dienst en er een rechtstreeks verband bestaat tussen de dienst en de vergoeding. Ten slotte wenst de rechter te vernemen of de exploitatie kwalificeert als een dienst daar het gaat om de nakoming van bij wet opgelegde verplichtingen.

Het HvJ beantwoordt de vier vragen gezamenlijk. Naar zijn oordeel is de exploitatie van cultuurtechnische bouwwerken waarvoor gedurende acht jaar een vergoeding wordt ontvangen een economische activiteit die erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Weliswaar is het niet zeker dat de exploitatie was begonnen op het moment dat de btw in aftrek is gebracht, maar het HvJ herinnert eraan dat ook degene die het door objectieve gegevens ondersteunde voornemen heeft zelfstandig een economische activiteit te verrichten en daartoe een eerste investering doet een belastingplichtige is. Of al dan niet winst wordt beoogd is niet van belang om aan te nemen of de exploitatie erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Het feit dat de Kft.’s slechts bijkomstig een economische activiteit op commerciële wijze kunnen verrichten is daarom niet van belang voor de vraag of de exploitatie gericht is op het duurzaam verkrijgen van opbrengsten. Dat de investeringen grotendeels zijn gedaan met overheidssteun heeft geen invloed op het economische aard van de exploitatie. De exploitatie is naar het oordeel van het HvJ een dienst. Dat het onderhoud van de wegen met het oog op de vrije afwatering een bij wet opgelegde verplichting is doet hieraan niet af. Dat de exploitatievergoeding een gering bedrag is doet niet af aan het rechtstreeks verband tussen de dienst en de vergoeding. Voor de kwalificatie als een economische handeling onder bezwarende titel is het immers niet relevant of de vergoeding hoger of lager is dan de kostprijs of de normale marktprijs. Bovendien is het bedrag van de vergoeding in deze zaken vooraf op basis van duidelijk afgebakende criteria bepaald. Het is aan de verwijzende rechter om het rechtstreekse verband vast te stellen. Inzonderheid moet hij nagaan of de vergoeding niet slechts ten dele de verrichte of te verrichten diensten vergoedt en dat de hoogte van de vergoeding niet is bepaald op basis van eventuele andere factoren die aan het rechtstreekse verband kunnen afdoen. Ook moet de rechter toetsen of de handeling geen volstrekt kunstmatige constructie is die geen verband houdt met de economische realiteit en alleen is bedoeld om een btw-voordeel te verkrijgen (lees: misbruik van recht).

Het HvJ bewandelt in dit arrest de gebaande wegen en oordeelt dat de Kft.’s een economische activiteit verrichten. Ook aan het rechtstreekse verband tussen de geringe vergoeding en de instandhouding van de aangelegde cultuurtechnische bouwwerken lijkt het HvJ niet te twijfelen. Overigens achten wij de door het HvJ gehanteerde volgorde onjuist. Volgens het Gemeente Borsele-arrest van het HvJ dient eerst beoordeeld te worden of sprake is van een handeling onder bezwarende titel. Vervolgens dient beoordeeld te worden of deze handeling een economische activiteit is. Hoe dan ook, het venijn zit in de staart van dit arrest. Aan het einde van het arrest geeft het HvJ de verwijzende rechter namelijk de opdracht zich ervan te vergewissen dat de vergoeding niet slechts ten dele de verrichte of te verrichten diensten vergoedt en dat de hoogte van de vergoeding niet is bepaald op factoren die afbreuk doen aan het rechtstreeks verband. Ook moet de verwijzende rechter nagaan of de handeling van de Kft.’s geen misbruik van recht oplevert. Het is dit venijnige staartje dat dit arrest doet rijmen met de uitkomst in het Gemeente Borsele-arrest.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op