3 mei 2017Niet verhuurde uren tellen niet mee bij berekening btw-aftrek sportzalen

Op grond van art. 15, lid 1 Wet OB heeft een ondernemer in beginsel slechts recht op btw-aftrek indien en voor zover hij btw-belaste activiteiten verricht. Uit het Securenta-arrest van het HvJ volgt dan ook dat de btw-ondernemer geen recht heeft op btw-aftrek voor zover de inkomende handelingen toerekenbaar zijn aan niet-economische activiteiten. De btw-ondernemer moet de btw op de kosten die zowel aan economische als niet-economische activiteiten toerekenbaar zijn daarom splitsen in een aftrekbaar en een niet-aftrekbaar deel. Uit het beleid volgt dat de btw-ondernemer een splitsingsmethode moet hanteren waarbij aangesloten wordt bij objectieve factoren, zoals omzetverhoudingen, m2, m3 of kosten, onder voorwaarde dat deze zoveel als mogelijk recht doen aan het gebruik dat van de goederen of de diensten wordt gemaakt. Uit een recente uitspraak van Rechtbank Leeuwarden blijkt dat het meerekenen van niet-verhuurde uren bij de berekening van de pre pro rata-aftrek van sportzalen niet is toegestaan, omdat deze berekeningsmethode subjectief is. Een verdeelsleutel op basis van werkelijk gebruikte uren is naar het oordeel van de rechtbank wel objectief, omdat de mate van aftrek in dat geval meebeweegt met de verhuur zoals deze feitelijk is gerealiseerd.

Een gemeente exploiteert een sporthal en drie gymzalen stelt deze zalen tijdens schooltijden ter beschikking aan basisscholen op basis van een jaarlijks wisselend rooster. De gemeente ontvangt hiervoor geen vergoeding. Daarnaast stelt de gemeente de sportzalen, buiten het rooster, beschikbaar voor (vaste) verhuur aan derden, met name sportverenigingen en scholen voor voortgezet onderwijs. In de uren die daarna nog overblijven, probeert de gemeente de sportzalen zo veel mogelijk te verhuren aan derden ten behoeve van sportbeoefening. In beperkte mate, namelijk 55 uren per jaar, staat de gemeente het gebruik van de sporthal voor andere activiteiten toe, zoals de jaarlijkse kleindierententoonstelling, de uitvoering van de muziekvereniging en een kinderspeelweek. Voor het berekenen van de aftrek van de voorbelasting die ziet op de sportzalen, heeft de gemeente de uren van het belast gebruik van de sportzalen (inclusief de incidentele verhuur) gedeeld door de uren van het belast gebruik en het gebruik voor het basisonderwijs.

De gemeente heeft vervolgens bezwaar aangetekend tegen de ingediende aangiften met deze verdeelsleutel, omdat hij van mening is dat de uren waarin de sportzalen niet worden verhuurd/gebruikt – door de gemeente aangeduid als ‘leegstand’ – in de verdeelsleutel meegeteld zouden moeten worden als belast gebruik. De inspecteur van de Belastingdienst is echter van mening dat de in de aangifte gehanteerde verdeelsleutel juist is, omdat deze aansluit bij het objectieve gebruik van de sportzalen, en heeft het bezwaar van de gemeente afgewezen. De gemeente heeft tegen deze afwijzing beroep aangetekend bij Rechtbank Gelderland.

De rechtbank stelt in deze zaak allereerst vast dat partijen het erover eens zijn dat de terbeschikkingstelling van de sportzalen aan de basisscholen geen economische activiteit is en dat het gebruik in uren in dit geval een goede maatstaf is om het werkelijke gebruik te bepalen. De benaderingswijze van de gemeente, namelijk om bij de bepaling van het werkelijke gebruik ook de uren mee te tellen die voor belast gebruik beschikbaar zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Het HvJ heeft in het Securenta-arrest geoordeeld dat een berekeningsmethode op basis van werkelijk gebruik objectief moet weergeven hoe de kosten werkelijk toe te rekenen zijn aan de economische en niet-economische activiteiten. De berekeningsmethode van de gemeente is naar het oordeel van de rechtbank echter te subjectief: het gaat om een wens van de gemeente – meer uren verhuur – die feitelijk niet uit is gekomen in het tijdvak dat in geschil is. Uit onderzoek blijkt dat de sportzalen gemiddeld voor 50% van de beschikbare uren niet verhuurd worden en het aantal potentiële huurders beperkt is. De rechtbank ziet, kortom, geen reden om de verdeelsleutel die is gebruikt bij het indienen van de aangiften te veranderen. De huidige verdeelsleutel heeft naar het oordeel van de rechtbank als effect dat de mate van aftrek meebeweegt met de verhuur zoals deze feitelijk is gerealiseerd. Op deze wijze worden de kosten op de meest objectieve wijze toegerekend aan de werkelijke activiteiten. De rechtbank verklaart het beroep van de gemeente daarom ongegrond.

 Naar onze mening is de uitspraak van Rechtbank Gelderland logisch en leidt deze tot een objectieve toerekening van de kosten. Hof Den Haag oordeelde reeds in 2005 dat de uitleg van de term ‘werkelijk gebruik’ meebrengt dat voor de toerekening van de voorbelasting enkel het feitelijk gebruik van belang is (Hof Den Haag 11 maart 2005, nr. 04/0088). Overigens kan een belastingplichtige zijn voordeel doen met deze uitspraak door deze ‘andersom’ toe te passen: als de inspecteur de niet-verhuurde uren wil aanmerken als niet-economisch gebruik, hetgeen in de praktijk voorkomt, waardoor het percentage aftrekbare btw lager uitvalt, kan de belastingplichtige erop wijzen dat alleen het werkelijke gebruik van de ruimte relevant is bij de berekening van het zogenoemde ‘pre pro rata’. Zie