17 januari 2013Nederlandse uitleg begrip bouwterrein te beperkt

Woningstichting Maasdriel (hierna: de woningstichting) koopt in 2006 een perceel grond van de gemeente Maasdriel. Op het perceel grond bevinden zich een gebouw, dat voorheen dienstdeed als bibliotheek, en een parkeerterrein. Overeengekomen is dat het terrein in bouwrijpe staat wordt opgeleverd, omdat de woningstichting woningen wil bouwen op het terrein, eventueel in combinatie met kantoren en parkeerfaciliteiten. De verkoopprijs is € 1.380.000 excl. btw en de sloopkosten bedragen € 22.000 excl. btw. Gemeente Maasdriel sloopt het gebouw en levert het perceel in 2007 aan de woningstichting. De heipalen van het gebouw en de bestrating van het parkeerterrein zijn dan nog (deels) aanwezig. Daarnaast is nog geen bouwvergunning verleend. Na de levering wordt het perceel waarop zich voorheen de bibliotheek bevond, geëgaliseerd in opdracht en voor rekening van de woningstichting. De woningstichting gaat ervan uit dat de levering is belast met btw en vrijgesteld van overdrachtsbelasting, omdat sprake is van bouwterrein. De inspecteur van de Belastingdienst meent daarentegen dat sprake is van onbebouwde grond, niet zijnde een bouwterrein, waardoor de levering is vrijgesteld van btw en belast met overdrachtsbelasting. Om die reden is aan de woningstichting een naheffingsaanslag opgelegd.

In eerste aanleg is in deze zaak door Rechtbank Arnhem geoordeeld dat de woningstichting geen bouwterrein heeft verkregen en de naheffingsaanslag daarom terecht is opgelegd. In hoger beroep oordeelt Hof Arnhem eveneens dat door de gemeente onbebouwde grond is geleverd, omdat het gebouw op het tijdstip van de levering reeds is gesloopt en partijen hebben afgesproken dat de bestrating na de levering voor rekening van de gemeente zou worden verwijderd. In eerdere jurisprudentie heeft de Hoge Raad bepaald dat bij gehele sloop van een gebouw de vrijkomende grond eerst dan kan worden aangemerkt als bouwterrein, indien na sloop van het gebouw bewerkingen aan de grond hebben plaatsgevonden met het oog op nieuwe bebouwing. In cassatieberoep heeft de Hoge Raad aan het HvJ EU de prejudiciële vraag gesteld of deze uitleg in overeenstemming is met de btw-richtlijn.

Het oordeel van het HvJ EU in deze zaak luidt dat de levering van een onbebouwd terrein, zoals aan de orde is in deze casus, na de sloop van het gebouw dat zich op het terrein bevindt, niet is vrijgesteld van btw-heffing, indien uit een globale beoordeling van de omstandigheden – waaronder ook de intentie van partijen – blijkt dat het terrein op de datum van levering daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd. Dit geldt eveneens indien er op de datum van de levering nog geen voorzieningen zijn getroffen voor dit terrein, anders dan de sloop van het gebouw. Of in de zaak van Woningstichting Maasdriel uit de omstandigheden blijkt dat sprake is van een daadwerkelijke bestemming voor nieuwbouw, zal door de nationale rechter moeten worden beoordeeld.

Dit arrest zal in de nieuwsbrief van komende week worden besproken. Hierbij zal tevens worden ingegaan op de betekenis van dit arrest voor de praktijk. Zie 7.6 voor dit arrest en meer informatie over de levering van bouwterreinen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op