16 september 2014Naheffing btw onbetaalde facturen door verstrijken tweejaarstermijn

X BV die een detailhandel in schoenen exploiteert heeft in 2007-2009 grote hoeveelheden schoenen geleverd gekregen van I BV. Hiervoor zijn aan X BV facturen met btw uitgereikt. De btw op deze facturen heeft X BV volledig in aftrek gebracht. Op de facturen staat dat deze binnen 30 dagen betaald moeten worden, maar dit is niet gebeurd. Hoewel voor de latere betaling volgens de voorwaarden rente en (incasso)kosten in rekening wordt gebracht, is tussen partijen overeengekomen dat er geen rente en kosten voor de te late betaling in rekening wordt gebracht. Op 24 december 2009 heeft de inspecteur van de Belastingdienst Roermond aan de inspecteur waaronder X BV ressorteert een renseignement gestuurd van een verzoek om teruggaaf door I BV van € 1.183.274, omdat X BV een bedrag van € 7.411.030,34 niet heeft betaald. Deze btw-teruggaaf is door de inspecteur van de Belastingdienst Roermond verleend. Naar aanleiding hiervan stelt de inspecteur bij X BV een boekenonderzoek in en heft € 1.183.274 na bij X BV, aanvankelijk over het tijdvak februari 2011 maar later over het tijdvak van 1 januari 2010 t/m 31 mei 2011.

In eerste aanleg oordeelt de rechtbank dat de (mondelinge) betalingsafspraken tussen X BV en I BV het karakter hebben van een betalingsregeling en dat de tweejaarstermijn van art. 29, lid 2 Wet OB hiermee niet is opgeschort. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.022.588. Dit betreft het btw-bedrag dat vermeld is op de facturen van december 2007 op de grond dat die btw in het tijdvak waarover is nageheven verschuldigd is geworden.

In hoger beroep oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden dat van een schending van het communautaire evenredigheidsbeginsel door het opleggen van onderhavige naheffingsaanslag geen sprake is. X BV heeft gesteld dat zij de schoenen pas hoefde te betalen als deze waren doorverkocht. I BV heeft dit echter ontkend. Het hof acht -gelet op de voorwaarden en de verklaring van I BV voor de rechter- aannemelijk dat X BV de facturen binnen 30 dagen had moeten betalen. In dat geval is niet in geschil dat de tweejaarstermijn is verstreken. Voor zover het beroep van X BV op het evenredigheidsbeginsel opgevat moet worden als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, oordeelt het hof dat de inspecteur niet in strijd met dit beginsel heeft gehandeld door btw van X BV na te heffen. Dit geldt ook indien moet worden aangenomen dat hij niets met de door X BV verstrekte informatie heeft gedaan. De inspecteur heeft de aftrek daarom terecht van X BV nageheven.

Voor meer informatie over het recht op btw-teruggaaf bij oninbare vorderingen en de verplichting voor de afnemer -de dubieuze debiteur- om de aftrek (naar rato) terug te betalen aan de fiscus zie 4.14.??

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op