6 december 2017Misbruik van recht kan ook zonder nationale anti-misbruikbepaling worden tegengeworpen

Het HvJ heeft geoordeeld dat het beginsel van het verbod van misbruik van recht rechtstreekse werking heeft. Een nationale regel die daaraan werking geeft in de nationale rechtsorde is, ook in een pre-Halifax zaak, niet vereist.

Feiten
Edward Cussens, John Jennings en Vincent Kingston (hierna: Cussens c.s.) bouwen vijftien vakantiehuizen. Zij verhuren de huizen voor een periode van twintig jaar en één maand aan een met hen verbonden onderneming en huren deze vakantiehuizen direct weer voor twee jaar terug. Hierdoor is op grond van de Ierse btw-wetgeving sprake van een eerste vervreemding van gebouw met bijbehorend terrein aan de verbonden onderneming en wordt btw geheven over de gekapitaliseerde waarde van de huur. Een maand later worden de huurovereenkomsten beëindigd, waarna de huizen door Cussens c.s. vrijgesteld van btw aan derden worden verkocht.

Procedure
Volgens de Ierse Belastingdienst is sprake van misbruik van recht en moet btw worden geheven over de latere verkopen. De Ierse rechter stelt prejudiciële vragen in deze zaak. De A-G concludeert dat behandeling van de langlopende huurovereenkomst als een ‘levering voor eerste ingebruikneming’ in casu in strijd is met het doel van de Zesde btw-richtlijn. De A-G acht daarbij van belang dat sprake is van een langlopende huurovereenkomst tussen verbonden partijen die zeer snel na de sluiting ervan, en zonder dat van het betrokken onroerend goed gebruik is gemaakt, wordt opgezegd. De A-G meent dat het wezenlijke doel van de betrokken transactie(s) erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen, indien het verkrijgen van het belastingvoordeel het enige doel is, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan. Volgens de A-G zou, indien sprake is van misbruik van recht de herdefiniëring van de transacties zo moeten plaatsvinden dat de levering van de vakantiehuizen aan de kopers als de eerste levering wordt aangemerkt.

HvJ
Het HvJ oordeelt dat het beginsel van het verbod van misbruik van recht rechtstreekse werking heeft, los van een nationale regel die daaraan werking geeft in de nationale rechtsorde. Volgens het HvJ kan in casu de btw-vrijstelling ook worden geweigerd voor de verkoop van onroerende zaken, ondanks het feit dat de verkoop heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak in de zaak Halifax (HvJ EU, 21 februari 2006, nr. C255/02, BnB 2006/170). Het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen verzetten zich daar niet tegen. Daarnaast stelt het HvJ dat afzonderlijk rekening moet worden gehouden met het doel van de huurovereenkomsten die voorafgingen aan de verkoop van de onroerende zaken. Dit om te bepalen of het wezenlijke doel van de aan de orde zijnde transacties al dan niet bestaat in het verkrijgen van een belastingvoordeel. Verder stelt het HvJ dat het beginsel van het verbod van misbruik van recht zo moeten worden uitgelegd dat de levering van onroerende zaken als aan de orde in het hoofdgeding, erop neer kan komen dat een belastingvoordeel wordt verkregen dat in strijd is met het doel van de relevante bepalingen van de Zesde richtlijn wanneer deze onroerende zaken, vóór de verkoop ervan aan derden, nog niet daadwerkelijk zijn gebruikt door de eigenaar of de huurder ervan. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.

De relevante rechtshandelingen in deze zaak hebben plaatsgevonden in 2002. Dit is vóór de uitspraak in de zaak Halifax. De verwijzende rechter vraagt zich af of het beginsel van het verbod van misbruik van recht van toepassing is op rechtshandelingen die hebben plaatsgevonden vóór het arrest-Halifax, indien een nationale maatregel ter uitvoering van het beginsel van het verbod van misbruik van recht in de nationale rechtsorde ontbreekt. Wij zijn van mening dat het HvJ deze vraag terecht bevestigd. In het arrest Italmoda heeft de Hoge Raad een prejudiciële vraag gesteld of de weigering van de btw-aftrek wegens betrokkenheid bij btw-fraude moet zijn verankerd (HR 8 maart 2013, nr. 11/01624). Het HvJ heeft naar aanleiding van deze vraag geoordeeld dat een voordeel op grond van de Zesde richtlijn door de nationale rechter moet worden geweigerd, indien sprake is van btw-fraude, ook indien het nationale recht niet in een dergelijk weigeringsgrond voorziet. Naar aanleiding van deze uitspraak ligt het voor de hand dat een nationale maatregel ter uitvoering van het beginsel van het verbod van misbruik van recht niet is vereist. Daarnaast heeft het HvJ aan de werking van het Halifax-arrest geen beperking in de tijd verbonden. Overigens voorzag het Nederlandse belastingrecht – in tegenstelling tot het Ierse belastingrecht – óók voor het Halifax-arrest in een weigeringsgrond voor het ontnemen van het gevolg van misbruik van recht. In 1984 oordeelde de Hoge Raad namelijk dat sprake is van fraus legis als (i) transacties buiten het daarmee beoogde fiscale voordeel geen reële, praktische, betekenis hebben, (ii) het bereiken van een belastingbesparing het enige, althans volstrekt overwegende, motief is geweest voor het sluiten van de transacties en (iii) doel en strekking van de Wet zouden worden miskend (HR, 21-11-1984, nr. 22 092, BNB 1985/32). De gelijkenis met de misbruik van recht criteria die het HvJ in Halifax heeft ontwikkeld is groot. Voor meer informatie over het onderwerp misbruik van recht zie hoofdstuk 13 van het handboek.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op