14 maart 2018Minimumomzet of overeenkomst met erkende marktdeelnemer geen voorwaarde nultarief uitvoer goederen in persoonlijke bagage

Leveringen van goederen die in de persoonlijke bagage van reizigers buiten de EU worden gebracht, zijn vrijgesteld van btw. De nationale wettelijke regeling in Polen bepaalt dat een verkoper die voor de vrijstelling voor exportleveringen aan niet-EU reizigers in aanmerking wil komen, in het voorafgaande belastingjaar een bepaalde minimumomzet moet hebben behaald of een overeenkomst moet hebben gesloten met een marktdeelnemer die gerechtigd is reizigers de btw terug te geven. Het HvJ concludeert dat deze Poolse wettelijke regeling in strijd is met de btw-richtlijn en het beginsel van de fiscale neutraliteit.

Feiten

Een Poolse ondernemer, Pie?kowski verkoopt telecommunicatieapparatuur aan reizigers die buiten de EU wonen. Uit de btw-aangiften van 2009 en 2010 bleek dat de door hem behaalde netto-omzetten lager waren dan de vereiste 400 000 PLN om de btw-vrijstelling voor exportleveringen te kunnen toepassen. Ook had Pie?kowski geen gegevens overgelegd over een eventuele overeenkomst met een marktdeelnemer die tot btw-teruggaaf gerechtigd is.

Procedure

De Poolse fiscus was van oordeel dat Pie?kowski in de jaren 2010 en 2011 niet gerechtigd was persoonlijk btw terug te geven aan de reizigers of voor hen het tarief van 0% toe te passen. In beroep heeft de Poolse rechter geoordeeld dat de Poolse wetsbepaling in overeenstemming was met de btw-richtlijn, voor zover in de wet de btw-teruggaaf in kwestie aan reizigers afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de verkoper in het voorafgaande belastingjaar een omzet van meer dan 400 000 PLN heeft behaald. De omzetdrempel is niet louter formeel, maar betreft een materiële voorwaarde waarvan in algemene zin afhangt of rechtstreekse btw-teruggaaf door de verkoper mogelijk is. De hoogste rechter in Polen merkt op dat de btw-richtlijn geen bepaalde omzet voorschrijft voor de toepassing van de btw-vrijstelling voor goederen die in de persoonlijke bagage van reizigers worden meegenomen en stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EU. De A-G is van mening dat de btw-richtlijn en het neutraliteitsbeginsel zich verzetten tegen een regeling die het belastingplichtigen onmogelijk maakt de btw-vrijstelling voor reizigers toe te passen indien zij niet een bepaalde omzet hebben behaald in het voorafgaande belastingjaar of met het oog op die vrijstelling een overeenkomst hebben gesloten met een bevoegde marktdeelnemer.

HvJ

Het HvJ volgt de conclusie van de A-G. Op basis van art. 146, lid 1, onder b btw-richtlijn moeten de lidstaten vrijstelling verlenen voor de levering van goederen die door of voor rekening van de afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Unie. Indien de in art. 146, lid 1, btw-richtlijn bedoelde levering betrekking heeft op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, geldt de vrijstelling slechts wanneer de in art. 147 van de btw-richtlijn vastgestelde, bijkomende voorwaarden zijn vervuld.

Uit de bewoordingen van art. 146 en 147 van de btw-richtlijn volgt volgens het HvJ dat die richtlijn voor de toepassing van de vrijstelling bij uitvoer niet de voorwaarde stelt dat de belastingplichtige in het voorafgaande belastingjaar een bepaalde omzet heeft behaald of een overeenkomst heeft gesloten met een marktdeelnemer die tot teruggaaf van btw gerechtigd is. Bovendien hebben de voorwaarden van art. 147 van de btw-richtlijn enkel betrekking op afnemers van de betrokken goederen en verwijzen ze niet naar de verkopers van die goederen. Het HvJ stelt dat op basis van een strikt letterlijke uitlegging van deze bepaling de Poolse regeling in strijd is met de btw-richtlijn.

Echter, er is een minder strikte uitlegging mogelijk, omdat art.131 en 273 btw-richtlijn de lidstaten de mogelijkheid bieden om voorwaarden te treffen om een juiste en eenvoudige toepassing van die vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen. Lidstaten moeten daarbij wel de algemene rechtsbeginselen van de Unie toepassen, in specifiek het evenredigheidsbeginsel. Het HvJ verwijst naar een arrest van het HvJ (19 december 2013, BDV Hungary Trading, C-563/12) waarin geoordeeld is dat de lidstaten in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel middelen moeten aanwenden waarmee het door het nationale recht nagestreefde doel weliswaar doeltreffend kan worden bereikt, doch die de doelstellingen en beginselen van de betrokken wettelijke regeling van de Unie zo min mogelijk aantasten.

Het HvJ stelt dat de voorwaarde die de belastingplichtige verplicht om in het voorafgaande belastingjaar een bepaalde omzetdrempel te hebben behaald, niet absoluut is aangezien de belastingplichtige, wanneer de minimumomzet niet is behaald, de mogelijkheid heeft van de vrijstelling gebruik te maken door een overeenkomst te sluiten met een marktdeelnemer die gerechtigd is de btw aan de reizigers terug te geven. Ook moet worden opgemerkt dat de niet-naleving van deze voorwaarde tot gevolg heeft dat de vrijstelling bij uitvoer wordt geweigerd, hoewel de in art. 146, lid 1, onder b en in art. 147 van de btw-richtlijn gestelde voorwaarden om van deze vrijstelling te profiteren, vervuld zijn.

Het HvJ verwijst naar het arrest BDV Hungary Trading van het HvJ, waarin het HvJ oordeelde dat over een levering geen btw verschuldigd is in een situatie waarin is voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling bij uitvoer zoals bedoeld in art. 146, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, met name bij het vertrek van de betrokken goederen uit het douanegebied van de Unie. In dergelijke omstandigheden bestaat in principe geen gevaar meer voor belastingfraude of belastingderving dat kan rechtvaardigen dat de betrokken transactie wordt belast. Daarom moet worden vastgesteld dat de Poolse regeling niet noodzakelijk is ter verwezenlijking van het doel van voorkoming van belastingontwijking en –fraude.

Wij zijn het eens met de conclusie van het HvJ. Gelet op de letterlijke interpretatie van de btw-richtlijnbepaling heeft de Poolse wetgever nadere eisen gesteld aan de hoedanigheid van de verkoper, terwijl de materiële voorwaarden voor de btw-vrijstelling zien op de hoedanigheid van de koper. Het behalen van een bepaalde omzet om de btw-vrijstelling toe te kunnen passen, kan naar onze mening niet worden aangemerkt als een materiële voorwaarde, omdat deze niet wordt vermeld in de btw-richtlijn. Bovendien kan het niet de bedoeling zijn dat de richtlijnwetgever aan de nationale wetgever de mogelijkheid biedt om de toepassing van de btw-vrijstelling afhankelijk te stellen van een bepaalde minimumomzet van de verkoper.

De Poolse belastingdienst stelt dat de extra voorwaarde nodig is om fraude te voorkomen. Het HvJ is het niet eens met dit argument. Het HvJ ziet naar onze mening terecht niet in waarom die fraude met een bepaalde omzetgrens te maken zou hebben.

In Nederland is het nultarief voor de levering van goederen aan particulieren die hun woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats buiten de EU hebben opgenomen in art. 24, lid 2, Wet OB 1968 en art. 23a Uitv. Besch. OB. De belangrijkste voorwaarden voor de toepassing daarvan zijn dat de goederen door de particulier binnen drie maanden na de aankoop in zijn/haar persoonlijke bagage meegenomen worden naar een niet-EU-land en een totale factuurwaarde van ten minste €50 (inclusief btw) hebben. De woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats moet aangetoond worden aan de hand van een legitimatiebewijs (zie ook het besluit van 24 april 2013, nr. BLKB2013/605M). Deze voorwaarden komen naar onze mening overeen met die van art. 147 btw-richtlijn.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op