13 oktober 2016Maatschappen van familie afzonderlijke btw-ondernemers

Het HvJ is van oordeel dat drie maatschappen van familieleden die ieder wijnbouw -en productieactiviteiten verrichten op eigen naam en voor eigen rekening afzonderlijke btw-ondernemers zijn.

In deze zaak gaat het om de Oostenrijkse familie Nigl die sinds lang activiteiten verricht op het gebied van wijnbouw en -productie. Naarmate de productie steeg en het areaal groter werd zijn steeds meer familieleden betrokken geraakt bij de activiteiten. Momenteel vormen zij drie maatschappen, die elk op hun eigen grondgebied wijnstokken aanbouwen. Ook de wijn wordt gescheiden geproduceerd uit de opbrengst van de grondstukken van elke maatschap en draagt een benaming die verwijst naar de aanbouw van de betrokken maatschap, hoewel hij onder de gemeenschappelijke naam “Nigl” wordt verkocht. Bovendien hebben de familieleden in 2001 Weingut Nigl GmbH opgericht. Deze vennootschap houdt zich vooral bezig met de verkoop van de wijn in naam en voor rekening van de drie maatschappen. Zij produceert ook wijn in eigen naam uit de druiven die zij van de maatschappen koopt. De voor de aanbouw en productie benodigde werktuigen zijn aangeschaft door de afzonderlijke maatschappen, met uitzondering van de onroerende goederen en enkele installaties, zoals de bottelmachine, die gemeenschappelijk eigendom is.

De maatschappen en de GmbH zijn afzonderlijk geregistreerd als btw-ondernemer. De maatschappen vallen onder de landbouwregeling. Dit is door controles van de Oostenrijkse fiscus bevestigd. In 2012, na een volgende controle, heeft de Oostenrijkse fiscus het standpunt ingenomen dat de drie maatschappen met ingang van 2005 moeten worden aangemerkt als één ondernemer. Om die reden zijn over de periode van 2005 tot en met 2012 naheffingsaanslagen opgelegd en is de geldigheid van de btw-nummers beperkt. Hiertegen zijn de maatschappen in verweer gekomen. Het Oostenrijkse Bundesfinanzgericht heeft aan het HvJ prejudiciële vragen gesteld.

Het HvJ EU heeft in deze zaak geoordeeld dat de drie maatschappen moeten worden beschouwd als afzonderlijke btw-ondernemers. De maatschappen exploiteren namelijk wijngaarden die zij afzonderlijk pachten, gebruiken bijna uitsluitend hun eigen bedrijfsmiddelen, hebben eigen werknemers in dienst en treden doorgaans autonoom naar buiten. Dit getuigt volgens het HvJ van het feit dat elke maatschap een activiteit in eigen naam, voor eigen rekening en onder haar eigen verantwoordelijkheid verricht. Hieraan doet niet af dat zij hun producten in samenwerking onder een gemeenschappelijke merknaam naar buiten brengen en dat zij een deel van hun activiteiten gezamenlijk aan een derde vennootschap (namelijk Weingut Nigl GmbH) toevertrouwen. Dit is een keuze bij de organisatie van de activiteiten, aldus het HvJ. Op grond hiervan kan niet geconcludeerd worden dat zij hun activiteiten niet zelfstandig verrichten of niet het economische risico van hun activiteiten dragen. De bepalende rol die een van de maten speelt bij de bereiding van de wijn en de vertegenwoordiging daarvan doet naar het oordeel van het HvJ evenmin af aan de vaststelling dat de maatschappen hun activiteiten zelfstandig verrichten, aangezien zij elk in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid handelen. 

Oostenrijk heeft een beperking van de landbouwregeling voor een categorie producenten en voor producten voor wie de toepassing van de normale btw-regeling geen moeilijkheden van administratieve aard meebrengt. Ten aanzien van de vraag of de toepassing van de landbouwregeling in casu kan worden geweigerd oordeelt het HvJ dat het een lidstaat is toegestaan om de toepassing te weigeren als de btw-ondernemers deel uitmaken van een kapitaalvennootschap, een vereniging van de maten van de maatschappen of een vereniging van een kapitaalvennootschap en de maten van de maatschappen, ook als de maatschappen zelf niet tot de uitgesloten categorie producenten horen, mits zij – dankzij hun banden met de kapitaalvennootschap – materieel in staat zijn hun administratieve lasten te dragen. De verwijzende rechter zal dit na moeten gaan. Mocht blijken dat de maatschappen zijn uitgesloten van de toepassing van de landbouwregeling, dan kan de regeling slechts met terugwerkende kracht worden geweigerd als deze beoordeling plaatsvindt vóór het verstrijken van de verjaringstermijn en de gevolgen ervan niet terugwerken tot de tijd waarop de feitelijke en juridische gegevens bekend zijn geworden waarop de beoordeling berust (lees: de oprichting van Weingut Nigl GmbH).

 Het enkele feit dat de maten van de verschillende maatschappen familieleden van elkaar zijn, is onvoldoende om de zelfstandigheid van de verschillende maatschappen te negeren. Zeker indien de maatschappen handelen op eigen naam en voor eigen rekening en risico. Wij delen daarom het oordeel van het HvJ dat de maatschappen zelfstandig economische activiteiten verrichten en daarom afzonderlijke btw-ondernemers zijn. In Nederland staat het vertrouwensbeginsel in beginsel eraan in de weg dat de inspecteur een eerder ingenomen standpunt met terugwerkende kracht verandert. Wij achten dat ook wenselijk, omdat het de rechtszekerheid en het vertrouwen in de overheid ten goede komt. Het HvJ ziet in een dergelijke terugwerkende kracht echter geen probleem, mits de naheffing van btw plaatsvindt binnen de naheffingstermijn en er van de maatschappen pas wordt nageheven vanaf het moment dat zij niet langer recht hebben op toepassing van de landbouwregeling. Dit arrest laat zien dat lidstaten de mogelijkheid hebben om de landbouwregeling te beperken tot de kleine landbouwers voor wie de administratieve verplichtingen die met btw-heffing gepaard gaan een probleem (kunnen) vormen. Een dergelijke ‘uitgedunde’ landbouwregeling achten wij voor Nederland wenselijker is dan de door het kabinet aangekondigde afschaffing van deze regeling in 2018. Voor meer informatie over het btw-ondernemerschap zie 11.3.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op