4 november 2015Maatschap geen recht op btw-aftrek woning maten

Een pand dat is aangeschaft door twee maten en voor een deel wordt gebruikt voor de bedrijfsdoeleinden van de maatschap, heeft niet tot gevolg dat het pand in wezen behoort tot het bedrijf van de maatschap, zodat de maatschap geen recht op aftrek van alle ter zake van het pand in rekening gebrachte btw toekomt, zo heeft de Hoge Raad recent geoordeeld. 

Een echtpaar en hun dochter vormen met elkaar een maatschap die een champignonkwekerij exploiteert. Het echtpaar laat in de periode van 2002 tot en met februari 2004 een pand (woning) bouwen bij de kwekerij. De grond is bij de twee maten in gezamenlijke eigendom. De bouwtermijnen zijn aan (een van) de maten in rekening gebracht en afgeboekt op de kapitaalrekeningen. Het pand is in maart 2004 in gebruik genomen voor bewoning door de twee maten en gedeeltelijk in gebruik genomen voor zakelijke doeleinden van de maatschap. De maatschap heeft alle btw op de bouwkosten in aftrek gebracht. Het pand is door de maten niet verhuurd aan de maatschap en er is geen vergoeding bedongen voor het gebruik van de werkkamer door de maatschap. Ook van inbreng van het pand in de maatschap is geen sprake. 

Deze zaak is voor de derde keer aan de Hoge Raad voorgelegd. In het eerste arrest oordeelde de Hoge Raad (op basis van de door het hof vastgestelde feiten) dat de maatschap in het tijdvak van ingebruikneming het pand alsnog volledig tot haar btw-ondernemingsvermogen kan rekenen. De Hoge Raad verwees de zaak vervolgens naar Hof Arnhem voor nader onderzoek. Naar het oordeel van dit hof kon het verweer van de inspecteur, inhoudende dat de maten de afnemer zijn, niet slagen. Uit de vastgestelde feiten in het arrest van de Hoge Raad volgt -aldus het hof-  dat de maten en de maatschap voor de btw één btw-onderneming vormen en dat die btw-ondernemer recht heeft op aftrek. Hierbij maakt het niet uit aan wie de facturen zijn uitgereikt. Tegen deze uitspraak is wederom cassatie ingesteld. De Hoge Raad oordeelde in het tweede arrest dat het hof had moeten onderzoeken of de maatschap de afnemer is van het pand. De Hoge Raad verwees de zaak voor nader onderzoek naar Hof Amsterdam. Dit hof heeft geoordeeld dat de maten de afnemer zijn van het pand waardoor de maatschap geen recht heeft op btw-aftrek ter zake van de woning. 

In deze zaak heeft A-G Van Hilten de Hoge Raad geadviseerd prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De Hoge Raad heeft dit advies echter niet opgevolgd en de zaak recent zelf afgedaan. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft Hof Amsterdam op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het pand is aangeschaft door de twee maten. Een gedeelte daarvan wordt gebruikt voor de bedrijfsdoeleinden van de maatschap. Dit heeft, aldus de Hoge Raad, buiten redelijke twijfel niet tot gevolg dat het pand in wezen behoort tot het bedrijf van de maatschap, zodat de maatschap geen recht op aftrek van alle ter zake van het pand in rekening gebrachte btw toekomt ingevolge het arrest Charles en Charles-Tijmens. De middelen kunnen naar het oordeel van de Hoge Raad daarom niet tot cassatie leiden. 

Zie