2 juli 2018Lustopwekkende middelen belast met 6% btw

A-G Ettema (hierna: A-G) komt tot de conclusie dat lustopwekkende middelen zijn aan te merken als voedingsmiddelen als bedoeld in post a.1. Wet OB. Hierop is het 6% tarief van toepassing.

Feiten

Een ondernemer exploiteert een seksshop. De ondernemer verkoopt onder meer (seks)lustopwekkende middelen zoals capsules Libidoforte, spray Rush, druppels Spanish Fly. Deze producten dienen voor oraal gebruik en bevatten ook bestanddelen – in hoofdzaak van plantaardige en/of dierlijke afkomst – die eigen zijn aan voor menselijk gebruik bestemde voedingsmiddelen.

Procedure

Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn door de inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd. De inspecteur is van mening dat ten onrechte het 6%-tarief is toegepast bij de verkoop van de lustopwekkende middelen. Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de lustopwekkende middelen zijn aan te merken als eet-en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie, waarop het 6%-tarief van toepassing is. Volgens het hof bevatten de lustopwekkende middelen namelijk bestanddelen –in hoofdzaak van plantaardige en/of dierlijke afkomst – die eigen zijn aan voor menselijk gebruik bestemde voedingsmiddelen. Het is naar het oordeel van het hof niet van belang dat ze worden gebruikt als lustopwekkende middelen. De Staatssecretaris is in cassatie gegaan.

A-G

A-G Ettema stelt dat op grond van art. 98, lid 1 en 2, Btw-richtlijn jo. Punt 1 van bijlage 3 bij die richtlijn de nationale lidstaten een verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op drie categorieën ‘levensmiddelen’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de A-G niet dat de Nederlandse wetgever met post a.1 van Tabel 1 bewust heeft willen afwijken van de Btw-richtlijn, zodat deze tabelpost richtlijnconform moet worden uitgelegd. Volgens de A-G volgt uit de arresten van het HvJ dat punt 1 van bijlage 3 strikt moet worden uitgelegd. De A-G is van mening dat deze strikte uitleg niet zo ver moet gaan dat enkel voedzame producten en stoffen onder die bepaling kunnen worden geschaard. De A-G verwijst naar het arrest BOG van het HvJ (10 maart 2011, nr. C-497/09, C-499/09, C-501/09) waarin het HvJ overweegt dat de betrokken bepaling ziet op ‘levensmiddelen in het algemeen’. Wanneer het doel van Bijlage 3 in ogenschouw wordt genomen, moet het gaan om ‘essentiële goederen’.

De wijze waarop deze producten worden genuttigd en de bijeffecten van een product (lustopwekking) zijn naar de mening van de A-G, mede gelet op de tekst van punt 1 van Bijlage 3 waarin dergelijke beperkingen niet zijn opgenomen, niet van belang.

De A-G komt tot de eindconclusie dat gelet op de definitie van het begrip ‘levensmiddel’ in VO. 178/2002 dat het in de rede ligt het begrip ‘voedingsmiddel’ van post a.1. van Tabel 1 uit te leggen als ‘alle stoffen en producten verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd’. Ook op basis van de Toelichting Tabel 1 komt de A-G bij definitie terecht. Het is volgens de A-G niet van belang of een voedingsmiddel uit plantaardige en/of dierlijke bestanddelen bestaat. De toevoeging van het hof is daarom kennelijk een onderbouwend – en geen doorslaggevend – argument om de onderhavige capsules, druppels en sprays als voedingsmiddel aan te merken. Het oordeel van het hof getuigt volgens de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.

Wij vinden de conclusie van de A-G ver gezocht. De vraag of een goed of dienst aan het verlaagde tarief moet worden onderworpen, werd in Nederland van oudsher bepaald door de plaats die dat goed of die dienst in de huishouding inneemt. Het idee was dat goederen en diensten die in het huishoudbudget van de sociaal zwakkeren een relatief grote plaats innemen aan een lager tarief onderworpen zouden moeten worden. Tot de hier bedoelde ‘eerste levensbehoeften’ behoren zo goed als alle goederen die dagelijks door brede lagen van de bevolking worden gebruikt. Zo zijn voedingsmiddelen op basis van post a.1. van Tabel 1 Wet OB aan het verlaagde tarief onderworpen. Wij zouden lustopwekkende middelen niet onmiddellijk als ‘eerste levensbehoefte’ (voedingsmiddel) bestempelen. Voedingsmiddelen en lustopwekkende middelen liggen naar onze mening ver uit elkaar. Kortom, het scharen van lustopwekkende middelen onder post a.1. van Tabel 1 Wet OB ‘voedingsmiddelen’ gaat ons inziens tegen de doelstelling in waarvoor het lage tarief bedoeld is.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op