18 augustus 2016Live erotische webcamsessies geen elektronische dienst; wel vermakelijkheidsdienst?

A-G Ettema adviseert de Hoge Raad aan het HvJ de prejudiciële vraag voor te leggen of live erotische webcamsessies kwalificeren als vermakelijkheidsactiviteiten en zo ja, of deze belastbaar zijn op de plaats van uitvoering dan wel de plaats van verbruik.

De Nederlandse btw-ondernemer A biedt live erotische webcamsessies aan die feitelijk verzorgd worden door modellen op de Filipijnen. A is werkzaam vanuit Nederland. De modellen zijn in dienst bij A en werken exclusief voor A, die hen de benodigde soft- en hardware ter beschikking stelt voor de uitoefening van de webcamsessies. De webcamsessies worden aangeboden op een platform bij bepaalde web providers. De (potentiële) bezoekers van de webcamsessies kunnen bij de webcamsessies op een dergelijk platform terechtkomen via websites van A en anderen. De web-providers verstrekken internet accounts aan A en zorgen ervoor dat ook de modellen toegang hebben tot deze accounts. De modellen kunnen inloggen op een account van A, zodat hun webcams in verbinding komen te staan met het platform. De web-providers maken daarnaast het betalingsverkeer mogelijk. De gebruikers van de diensten betalen per creditcard aan de web-providers, die vervolgens A betalen. A betaalt zijn modellen vervolgens contant uit. De bezoekers kunnen tegen betaling live de webcamsessies bekijken. Tijdens een webcamsessie is interactie tussen de bezoeker(s) en het model mogelijk. De inspecteur van de Belastingdienst meent dat A ter zake van de webcamsessies Nederlandse btw verschuldigd is en heeft daarom een naheffingsaanslag opgelegd. Volgens de inspecteur is de plaats van de diensten namelijk gelegen in Nederland, omdat het verbruik in Nederland plaatsvindt. A bestrijdt dit.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van A ongegrond verklaard. In hoger beroep oordeelt Hof Den Bosch dat de webcamsessies, die kwalificeren als vermakelijkheidsactiviteiten, op grond van art. 6 Wet OB en de btw-richtlijn plaatsvinden op de plaats, waar de modellen feitelijk hun activiteiten verrichten en niet – zoals de inspecteur meent – op de plaats waar zij verbruikt worden, namelijk op de plaats, waar de bezoeker zich bevindt op het moment dat hij een webcamsessie bezoekt. Aangezien vaststaat dat de modellen hun activiteiten op de Filipijnen verrichten, volgt hieruit dat de plaats van de vermakelijkheidsdiensten van belanghebbende niet Nederland is, zodat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, aldus het oordeel van het hof. De staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep aangetekend.

In cassatie adviseert A-G Ettema de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen. De A-G is van mening dat de webcamsessies niet kwalificeren als elektronische diensten. Zij betwijfelt echter of de webcamsessies aan te merken zijn als vermakelijkheidsdiensten. Als dit het geval is, dan is de plaats van dienst naar haar mening de plaats waar het verbruik plaatsvindt: Nederland. De A-G adviseert de Hoge Raad aan het HvJ te vragen of sprake is van vermakelijkheidsdiensten en, zo ja, of voor de bepaling van de plaats van dienst moet worden aangesloten bij de plaats waar de dienst wordt verbruikt (als zijnde de plaats waar de dienst daadwerkelijk wordt verricht) als deze afwijkt van de plaats van uitvoering.

In deze zaak zijn partijen het erover eens dat sprake is van een vermakelijkheidsactiviteit. Het stellen van de prejudiciële vraag of sprake is van een vermakelijkheidsdienst gaat het geschil tussen partijen dan ook te buiten. De Hoge Raad zou de zaak naar onze mening op dit punt zelf af kunnen doen zonder hierover een prejudiciële vraag te stellen. Indien de live webcamsessies geen elektronische, maar vermakelijkheidsdiensten zijn dan betekent dit dat deze diensten aan consumenten niet belast zijn in het land waar de afnemer woont, maar in het land waar de webcamsessie wordt verricht. Het komt ons voor dat onderhavige diensten worden verricht in het land waar de afnemer de webcamsessies bekijkt, omdat aldaar het verbruik van de dienst plaatsvindt. Omdat dit niet zeker is, achten wij het juist dat de A-G de Hoge Raad adviseert om hierover een prejudiciële vraag te stellen. Dat deze webcamsessies geen elektronische diensten zijn, zoals de A-G meent, betekent dat op diensten door in de EU gevestigde ondernemers aan consumenten in andere lidstaten de MOSS-regeling niet van toepassing is (zie hoofdstuk 4 van Btw en e-commerce). Zie