19 december 2018Lidstaat mag voorwaarde stellen dat schuldeiser verlaging maatstaf van heffing wegens niet-betaling aan schuldenaar meedeelt

Feiten

De Portugese vennootschap Tratave exploiteert en beheert openbare gemeentelijke diensten voor afwatering, zuivering en verwijdering van afvalwater in het kader van het geïntegreerde afvalwerkingssysteem van Portugal. Tratave is btw-ondernemer. In haar periodieke aangifte voor juli 2010 heeft zij de maatstaf van heffing verlaagd en een correctie toegepast van de btw-bedragen die voorheen waren voldaan en doorgerekend aan acht van haar klanten, die insolvent zijn verklaard. Bij een controle stelt de Portugese Belastingdienst vast dat Tratave niet vooraf aan de insolvente schuldenaren haar voornemen kenbaar had gemaakt om de btw te annuleren, opdat zij de reeds toegepaste btw-aftrek kunnen herzien. De Portugese Belastingdienst heeft daarom een naheffingsaanslag opgelegd aan Tratave. De Portugese rechter heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.

HvJ

Het HvJ heeft geoordeeld dat Portugal niet in strijd met het EU-recht handelt door te eisen dat, in het geval van niet-betaling, alleen dan de maatstaf van heffing voor de btw kan worden verlaagd als de schuldeiser dit voornemen van tevoren aan de schuldenaar, indien deze een btw-ondernemer is, heeft medegedeeld. Dit met het oog op herziening van de btw-aftrek door de schuldenaar.

In de Nederland geldt niet de eis dat in geval van niet-betaling, alleen dan de maatstaf van heffing voor de btw kan worden verlaagd als de schuldeiser dit voornemen van tevoren aan de schuldenaar heeft medegedeeld.

Op grond van art. 29, lid 1 Wet OB heeft de btw-ondernemer recht op teruggaaf van de teveel voldane btw. Hiermee voorkomt de ondernemer dat de btw op hem drukt in plaats van op zijn afnemer. Het recht op teruggaaf van de btw-ondernemer ontstaat op het tijdstip waarop de gehele of gedeeltelijke niet-betaling vast komt te staan. Het recht op teruggaaf wordt geacht te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Dit ‘non-betalingsvermoeden’ betekent dat als een factuur één jaar na de opeisbaarheid nog openstaat recht op btw-teruggaaf is.
Voor de datum van opeisbaarheid wordt uitgegaan van de uiterste datum waarop volgens de leveringsovereenkomst de vordering moet zijn betaald. Als deze datum niet in de overeenkomst is opgenomen, dan geldt de wettelijke betalingstermijn van in beginsel 30 dagen na ontvangst van de factuur. De btw-ondernemer dient het bedrag van de teruggaaf in mindering te brengen in de aangifte (als aftrekbare voorbelasting in rubriek 5b of als negatieve omzet in rubriek 1a of 1b) over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

Art. 29, lid 7 Wet OB is de keerzijde van de teruggaaf van art. 29, lid 1 Wet OB. Als een teruggaaf verleend is, dient de ontvanger van de factuur de teveel in aftrek gebrachte btw terug te betalen. De btw-ondernemer die de factuur ontvangen heeft is dit bedrag verschuldigd op het tijdstip waarop vast komt te staan dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel geheel of gedeeltelijk heeft terugontvangen van de opsteller van de factuur. De btw-ondernemer is de btw in elk geval verschuldigd één jaar na het opeisbaar worden van de vergoeding.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op