10 maart 2017Levering wedstrijdshirt en biertje delen niet in 6%-tarief obstacle run

Bij samengestelde prestaties is vaak de vraag aan orde of er sprake is van één dienst of dat de prestaties afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen. Dit was ook het geval bij het organiseren van een obstacle run.

De feiten zijn als volgt. Een ondernemer organiseert meerdere keren per jaar een zogenoemde obstacle run. Dit is een sportevenement waarbij hardlopen wordt gecombineerd met het overwinnen van diverse obstakels. De deelnemers aan deze obstacle run krijgen een wedstrijdshirt en een drankje (bier of frisdrank) bij de finish. De ondernemer heeft voor het verstrekken van het wedstrijdshirt en een drankje het verlaagde btw-tarief toegepast. De inspecteur heeft na een boekenonderzoek vastgesteld dat het algemene btw-tarief van toepassing is en legt een naheffingsaanslag op. De ondernemer maakt bezwaar en stelt naar aanleiding van een negatieve uitspraak op bezwaar beroep in. De rechtbank oordeelt dat de levering van het wedstrijdshirt en van het biertje zijn belast naar hun eigen algemene tarief en niet delen in het lage tarief van de obstacle run. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

De ondernemer is primair van mening dat sprake is van één ondeelbare prestatie die moet worden aangemerkt als het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Subsidiair is volgens de ondernemer sprake van de obstacle run als hoofdprestatie en de levering van het wedstrijdshirt en het biertje als bijkomende prestatie die de hoofdprestatie aantrekkelijker maakt, waardoor deze het lot van de hoofddienst (laag tarief) deelt. De inspecteur ziet drie aparte prestaties.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake kan zijn van één ondeelbare economische prestatie, omdat het verstrekken van het wedstrijdshirt en van het biertje niet nodig is om een obstacle run te kunnen organiseren. Ook is er geen sprake van een nauwe verbondenheid van de prestaties waardoor zij één enkele ondeelbare economische prestatie vormen. Het is namelijk makkelijk en niet kunstmatig om een onderscheid te maken tussen de dienst (verlenen van toegang tot de obstacle run) en de levering van het wedstrijdshirt en de levering van het biertje. Op basis hiervan dient de hoofdregel uit de jurisprudentie te worden gevolgd dat elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Er kan dan alleen nog sprake zijn van één dienst als bij de levering van het wedstrijdshirt en het biertje sprake is van bijkomende prestaties. Een prestatie is bijkomend wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar meer een middel is om de hoofdprestatie (de obstacle run) aantrekkelijker te maken. De rechtbank is van oordeel dat zowel de levering van het wedstrijdshirt als de levering van het biertje een doel op zich is, omdat beide prestaties zelfstandig een nuttige functie hebben, los van het meedoen aan de obstacle run. Daarnaast faalt het beroep van de ondernemer op het gelijkheidsbeginsel, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Het oordeel van de rechtbank houdt in dat de levering van het wedstrijdshirt en van het biertje zijn belast naar hun eigen algemene tarief en niet delen in het lage tarief van de obstacle run. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

 De hoofdregel bij samenhangende prestaties is dat voor de toepassing van de btw elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Toch moeten de prestaties worden beschouwd als één enkele prestatie, indien zij niet zelfstandig zijn. Van één enkele prestatie is sprake wanneer twee of meer elementen of handelingen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn (HvJ EG 27 oktober 2005, nr. C-41/04 (Levob Verzekeringen BV en OV Bank NV)). Er is ook sprake van één enkele prestatie wanneer een of meer prestaties de hoofdprestatie vormen, terwijl een of meer andere prestaties ondergeschikte prestaties zijn die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie wordt als ondergeschikt of bijkomstig beschouwd wanneer zij voor de klant geen doel op zich is, maar een middel om optimaal te kunnen gebruikmaken van de hoofdprestatie van de dienstverrichter (HvJ EG 25 februari 1999, nr. C-349/96 (Card Protection Plan)). De rechtbank heeft naar onze mening terecht geoordeeld dat sprake is van drie zelfstandige prestaties. Het wedstrijdshirt en biertje zijn niet nodig om de obstacle run te organiseren, zodat geen sprake kan zijn van één ondeelbare prestatie. Het wedstrijdshirt en biertje hebben beide een eigen doel: deze zijn ook verkrijgbaar zonder deelname aan de obstacle run. Daarnaast is voor het aantrekkelijker maken van de obstacle run meer nodig dan dat de deelnemers het wedstrijdshirt en het biertje als prettig beschouwen. Het zou anders heel gemakkelijk zijn door het verrichten van extra prestaties die als prettig worden ervaren, een ondergeschiktheid te creëren, waardoor deze extra prestaties opgaan in de hoofddienst en daardoor onder het verlaagd tarief van de hoofddienst vallen. Dit doet namelijk afbreuk aan de hoofdregel bij samenhangende prestaties die inhoudt dat prestaties in beginsel onderscheiden en afzonderlijk moeten worden behandeld voor de btw.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op