4 januari 2018Leegstand sportzalen telt niet mee voor btw-aftrek op grond van werkelijk gebruik

Uit een recente uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat het meerekenen van niet-verhuurde uren bij de berekening van de pre pro rata-aftrek van sportzalen niet is toegestaan, omdat deze berekeningsmethode niet objectief is. Een verdeelsleutel op basis van werkelijk gebruikte uren biedt naar het oordeel van het hof wel een passende oplossing, omdat de mate van aftrek in dat geval meebeweegt met de verhuur zoals deze feitelijk is gerealiseerd.

Een gemeente exploiteert een sporthal en drie gymzalen stelt deze zalen tijdens schooltijden ter beschikking aan basisscholen op basis van een jaarlijks wisselend rooster. De gemeente ontvangt hiervoor geen vergoeding. Daarnaast stelt de gemeente de sportzalen, buiten het rooster, beschikbaar voor (vaste) verhuur aan derden, met name sportverenigingen en scholen voor voortgezet onderwijs. In de uren die daarna nog overblijven, probeert de gemeente de sportzalen zo veel mogelijk te verhuren aan derden ten behoeve van sportbeoefening. In beperkte mate, namelijk 55 uren per jaar, staat de gemeente het gebruik van de sporthal voor andere activiteiten toe, zoals de jaarlijkse kleindierententoonstelling, de uitvoering van de muziekvereniging en een kinderspeelweek. Voor het berekenen van de aftrek van de voorbelasting die ziet op de sportzalen, heeft de gemeente de uren van het belast gebruik van de sportzalen (inclusief de incidentele verhuur) gedeeld door de uren van het belast gebruik en het gebruik voor het basisonderwijs.

De gemeente heeft vervolgens bezwaar aangetekend tegen de ingediende aangiften met deze verdeelsleutel, omdat hij van mening is dat de uren waarin de sportzalen niet worden verhuurd/gebruikt – door de gemeente aangeduid als ‘leegstand’ – in de verdeelsleutel meegeteld zouden moeten worden als belast gebruik. De inspecteur van de Belastingdienst is echter van mening dat de in de aangifte gehanteerde verdeelsleutel juist is, omdat deze aansluit bij het objectieve gebruik van de sportzalen, en heeft het bezwaar van de gemeente afgewezen.

De gemeente heeft tegen deze afwijzing beroep aangetekend bij Rechtbank Gelderland, die het beroep van de gemeente ongegrond verklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank is de benaderingswijze van de gemeente, namelijk om bij de bepaling van het werkelijke gebruik ook de uren mee te tellen die voor belast gebruik beschikbaar zijn, niet juist. De gemeente heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend.

In hoger beroep komt Hof Arnhem-Leeuwarden tot eenzelfde uitspraak als de rechtbank. Het hof stelt vast dat het HvJ in het Securenta-arrest geoordeeld heeft dat een berekeningsmethode op basis van werkelijk gebruik objectief moet weergeven hoe de kosten werkelijk toe te rekenen zijn aan de economische en niet-economische activiteiten, maar heeft de Nederlandse regelgever dergelijke regels niet vastgesteld, zodat in casu een op de situatie van de gemeente toegesneden oplossing moet worden gevonden die past in het systeem van de btw. Naar het oordeel van het hof leidt het standpunt van de inspecteur, die een verdeelsleutel wil aanhouden op basis van aantal uren dat de sporthal daadwerkelijk in gebruik is, tot een beter passende oplossing dan het standpunt van de gemeente, die ook de uren leegstand wil opnemen in de verdeelsleutel. In dit verband is vooral van belang dat niet-permanent gebruik van sportzalen inherent is aan de exploitatie van dit type onroerende zaak en dat het geschil draait om instandhoudingskosten, zoals water, elektriciteit en onderhoud, die een correlatie hebben met de mate van daadwerkelijk gebruik, aldus het hof. Het hof verklaart het hoger beroep van de gemeente daarom ongegrond.

 Naar onze mening is de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden logisch en leidt deze tot een objectieve toerekening van de kosten. Hof Den Haag oordeelde reeds in 2005 dat de uitleg van de term ‘werkelijk gebruik’ meebrengt dat voor de toerekening van de voorbelasting enkel het feitelijk gebruik van belang is (Hof Den Haag 11 maart 2005, nr. 04/0088). Overigens kan een belastingplichtige zijn voordeel doen met deze uitspraak door deze ‘andersom’ toe te passen: als de inspecteur de niet-verhuurde uren wil aanmerken als niet-economisch gebruik, hetgeen in de praktijk voorkomt, waardoor het percentage aftrekbare btw lager uitvalt, kan de belastingplichtige erop wijzen dat alleen het werkelijke gebruik van de ruimte relevant is bij de berekening van het zogenoemde ‘pre pro rata’. Zie