17 juni 2019Leden van de RvC, RvT en (niet-uitvoerende) bestuursleden opgelet!

De positie van leden van de RvC, RvT en (niet-uitvoerende) bestuursleden in de btw is al langere tijd onderwerp van discussie. Het HvJ  heeft in de zaak IO geoordeeld dat een lid van de RvC van een stichting voor zijn werkzaamheden als RvC tegen een (vaste) vergoeding geen btw-ondernemer is. Voor vragen neem contact op met BTW-INSTITUUT.

Aandacht gevraagd: lid RvC geen btw-ondernemer!

De positie van leden van de RvC, RvT en (niet-uitvoerende) bestuursleden in de btw is al langere tijd onderwerp van discussie. De centrale vraag in deze discussie is of een commissaris etc. als zelfstandig (één van de voorwaarden van btw-ondernemerschap) moet worden aangemerkt ten opzichte van de rechtspersoon waarvoor hij een commissariaat vervult. Met andere woorden, of de commissaris btw-plichtig is. Hof Den Bosch heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de btw-plicht van commissarissen. Het Europese Hof van Justitie heeft zich recent over deze zaak uitgesproken.

HvJ

Het HvJ heeft op 13 juni jl. in de zaak IO geoordeeld dat een lid van de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van een stichting voor zijn werkzaamheden als RvC tegen een (vaste) vergoeding geen btw-ondernemer is.

Voor de beoordeling of sprake is van zelfstandigheid gaat het HvJ eerst na of een lid van de RvC een arbeidsovereenkomst heeft met de werkgever of dat sprake is van een juridische band waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en verantwoordelijkheid van de werkgever’.

Het lid van de RvC kan volgens het HvJ niet als werknemer worden aangemerkt, ondanks dat er voor de loonheffingen een fictiebepaling geldt. Volgens het HvJ is er geen verhouding van ondergeschiktheid aanwezig met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, aangezien de leden van een RvC, met name bij het bepalen van hun werkwijze niet gebonden zijn aan instructies van het bestuursorgaan van de betrokken stichting. Het lid van de RvC wordt geacht in onafhankelijkheid toezicht te houden op het beleid van het bestuursorgaan en op de algemene gang van zaken binnen de stichting. Omdat geen sprake is van een verhouding van ondergeschiktheid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, heeft het lid van de RvC ook geen andere juridische band waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat (bezoldigingsvoorwaarden en verantwoordelijkheid van de werkgever).

Het HvJ oordeelt dat om te beoordelen of het lid van de RvC zelfstandig een economische activiteit uitoefent, moet worden nagegaan of sprake is van een verhouding van ondergeschiktheid in de uitoefening van die activiteit. Met andere woorden, gekeken dient te worden of het lid van de RvC zijn economische activiteit zelfstandig verricht.

Volgens het HvJ is het van belang dat het lid van de RvC noch in eigen naam, noch voor eigen rekening en noch onder zijn eigen verantwoordelijkheid handelt.  Kenmerkend voor het lid van de RvC is voorts dat hij geen enkel economisch bedrijfsrisico draagt, een vaste vergoeding ontvangt, onafhankelijk van zijn deelname aan vergaderingen of feitelijk gewerkte uren. Het HvJ is van oordeel dat een persoon die een dergelijk bedrijfsrisico niet draagt, niet kan worden geacht zelfstandig een economische activiteit uit te oefenen. Volgens het HvJ is het niet van belang dat de commissaris, wat de uitoefening van zijn werkzaamheden als lid van de RvC betreft, op geen enkele wijze hiërarchisch ondergeschikt is ten aanzien van het bestuursorgaan of de RvC van de stichting.

Wat betekent dit voor u in de praktijk?

Dit arrest is ons inziens ook van belang voor leden van een Raad van Toezicht en (niet-uitvoerende) bestuursleden die tegen een vaste vergoeding werkzaamheden verrichten voor een organisatie.

Op basis van de uitspraak van het HvJ geldt dat leden van een RvC, leden van een RvT en (niet-uitvoerende) bestuursleden die tegen een vaste vergoeding werkzaamheden verrichten voor een bestuursorgaan geen btw verschuldigd zijn met betrekking tot hun werkzaamheden. Zij kunnen zich op de uitspraak van het HvJ beroepen.

Indien u tijdig bezwaar heeft gemaakt (tijdig, d.w.z. binnen zes maanden) tegen de betaling van btw uit de ontvangen vergoeding zal u nog recht hebben op btw-teruggaaf met betrekking tot het verleden. Indien u geen tijdig bezwaar gemaakt heeft tegen de betaling van de btw heeft u in principe geen mogelijkheid meer om die btw terug te vorderen.

Mocht u vragen hebben naar aanleiding van deze uitspraak van het HvJ en/of willen weten wat de gevolgen zijn van deze uitspraak voor uw btw-positie dan kunt u uiteraard contact opnemen met BTW-INSTITUUT. Wij zijn u uiteraard hierbij graag van dienst

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op