19 augustus 2015Lage aanneemsom plus ‘vrije agiostorting’ maatstaf integratieheffing

Naar het oordeel van Hof Den Bosch behoort niet alleen de overeengekomen, lage vergoeding voor de bouw van een pand, maar ook de vrije agiostorting tot de maatstaf van de integratieheffing.

De feitelijke situatie in deze zaak is complex. Een stichting heeft op 10 december 1999 van een gemeente de economische eigendom verkregen van een perceel grond  voor een bedrag van fl. 1.092.750 (incl. fl. 162.750 btw). Op deze datum heeft de stichting de met betrekking tot het perceel door een derde gemaakte ontwikkelingskosten afgekocht voor een bedrag van fl. 1.139.750 (incl. fl. 169.750 btw). In 2001 heeft de stichting besloten om op dit perceel haar hoofdkantoor te realiseren, een stadhuis voor de plaatselijke gemeente, een streekarchief voor een aantal Brabantse gemeenten en een bijbehorende parkeergarage. Bij overeenkomst van 28 juni 2001 zijn de stichting en G overeengekomen dat de laatste het bouwmanagement ten behoeve van de nieuwbouw van het kantoor van de stichting met streekmuseum en appartementen zal voeren. In 2001 heeft de stichting de op 10 december 1999 in rekening gebrachte btw alsnog in aftrek gebracht vanwege de te verwachten integratieheffing. De gemeente en de stichting hebben op 30 september 2003 een ontwikkelings- en realisatieovereenkomst gesloten met betrekking tot de door de stichting verworven grond. Op 10 maart 2004 heeft een derde het te realiseren kantoorpand getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde van € 3.570.000 excl. btw met als peildatum 1 januari 2004. Uit de administratie van de aannemer blijkt dat de aanbesteding van het gehele project in 2004 geschiedde door de stichting. De inschrijvingen vonden plaats voor het gehele project en aannemer was met het bedrag van € 8.438.000 excl. btw de laagste inschrijver.

Op 3 april 2005 is een holding opgericht en deze holding heeft op dezelfde dag een dochtervennootschap (hierna: Participaties) opgericht. In 2006 zijn de aandelen in Participaties overgedragen aan de op 6 november 2006 opgerichte N. N heeft voor de aandelen certificaten van aandelen uitgegeven aan de holding. Het bestuur van N wordt gevormd door P, Q en R, die allen werkzaam zijn voor de stichting. Tot november 2006 was de feitelijke leiding van Participaties in handen van de stichting, maar in de loop van november 2006 is dit overgenomen door het bestuur van N. Op 20 april 2005 hebben de stichting en Participaties een aannemingsovereenkomst gesloten ter zake van de realisatie van het kantoorpand voor de stichting en het bijbehorende gedeelte van de in het kader van het gehele project te realiseren parkeergarage voor een aanneemsom van € 3.200.000 excl. btw, welk bedrag later is aangepast tot € 3.344.000 excl. btw. Op 26 mei 2005 is een overeenkomst gesloten tussen een installateur (als opdrachtnemer) en Participaties (als opdrachtgever) en in juni 2005 is de bouw gestart. Op 1 november 2005 heeft Participaties aan de aannemer de opdracht gegeven voor de realisatie van het kantoorpand en het bijbehorende gedeelte van de parkeergarage voor een bedrag van € 4.522.768 excl. btw. Op dezelfde dag heeft Participaties aan de aannemer de opdracht gegeven een nieuw stadskantoor voor de gemeente te realiseren, alsmede een streekarchief voor een aantal Brabantse gemeenten en een bijbehorende parkeergarage voor een bedrag van € 3.915.232 excl. btw. De jaarrekening van Participaties over het jaar 2005 vermeldt een commercieel verlies van € 5.654.123. De stichting en de aannemer hebben op 22 november een zogenoemde overmakingsovereenkomst G-rekening gesloten. Hierin is vermeld dat tussen de stichting en de aannemer een overeenkomst is gesloten voor het bouwen van een nieuw verzamelgebouw voor een bedrag van € 8.438.000. Participaties heeft nimmer een G-rekening gehad. De aanloop- en voorbereidingskosten ter zake van de bouw van het kantoorpand ten bedrage van € 1.274.396 incl. btw zijn doorbelast aan Participaties. De stichting, de holding en Participaties zijn op 21 juni 2006 een overeenkomst aangegaan tot ‘vrije agiostorting’ op de aandelen van Participaties ten bedrage van € 5.700.000 door de stichting.

De stichting, de holding en Participaties maken in januari 2008 onderdeel uit van een fiscale eenheid. Het kantoorpand is in januari 2008 in gebruik genomen. Over januari 2008 heeft de fiscale eenheid een integratieheffing aangegeven naar een heffingsmaatstaf van € 9.302.427. Per brief met dagtekening 5 augustus 2008 aan de inspecteur heeft de fiscale eenheid de totale voortbrengingskosten gespecificeerd op een totaalbedrag van € 8.908.708 excl. btw. Bij dit schrijven verzoekt de fiscale eenheid om een vermindering van de maatstaf van de integratieheffing met € 370.821, met welk verzoek de inspecteur heeft ingestemd.

In geschil is of een integratieheffing verschuldigd is en, zo ja, of de maatstaf van heffing € 8.908.708 of € 3.692.418 (€ 3.344.000 plus kostprijs grond en correctiebedrag) is. In eerste aanleg heeft Rechtbank Breda de fiscale eenheid in het ongelijk gesteld, omdat een integratieheffing over de lage aanneemsom kwalificeert als misbruik van recht. In hoger beroep oordeelt Hof Den Bosch dat de integratieheffing niet in strijd is met de btw-richtlijn. Tevens oordeelt het hof dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bouw in werkelijkheid door de stichting en niet door Participaties is gerealiseerd. Wel acht het hof aannemelijk dat de vrije agiostoring door de stichting in werkelijkheid deel uitmaakt van de vergoeding voor de bouw van het pand. Hierbij acht het hof van belang dat de activiteiten van Participaties tot 2010 alleen bestaan hebben uit de bouw van het pand en dat het verlies van Participaties werd veroorzaakt door deze bouw. In werkelijkheid bedroeg de vergoeding derhalve niet € 3.344.000, maar € 9.044.000. De maatstaf van de integratieheffing is daarom niet op een te hoog bedrag vastgesteld. De vraag of sprake is van misbruik van recht hoeft daarom niet meer te worden beantwoord. Het hoger beroep van de fiscale is ongegrond.

De feiten in deze zaak zijn complex. De door de fiscale eenheid gekozen structuur met het oogmerk om een lagere integratieheffing te bewerkstelligen haalt het niet. Anders dan Rechtbank Breda komt  Hof Den Bosch niet toe aan de vraag of deze structuur als misbruik van recht kwalificeert. Het hof is van oordeel dat de overeengekomen vergoeding niet de werkelijkheid weerspiegelt en moet wijken voor de economische realiteit dat zowel de storting van het informeel kapitaal door de stichting in Participaties als de tussen de stichting en Participaties overeengekomen (lage) vergoeding de kostprijs vormen van het vervaardigde pand. Het resultaat is zowel in eerste als in tweede aanleg hetzelfde: de maatstaf van de integratieheffing wordt niet verlaagd. Gezien het kunstmatige gehalte van de gekozen structuur wekt die uitkomst geen verwondering. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat de integratieheffing sinds 1 januari 2014 is afgeschaft.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op