28 augustus 2015Kosten gezamenlijk bestuursbureau openbare scholen kosten voor gemene rekening

Naar het oordeel van Hof Amsterdam is over het verdelen van de kosten van het gezamenlijke bestuursbureau van openbare scholen geen btw verschuldigd.

Op 1 januari 2009 heeft een gemeente in Noord-Holland het bestuur van scholen voor het primair openbaar onderwijs, openbaar speciaal primair onderwijs en openbaar speciaal voortgezet onderwijs overgedragen aan een stichting. Deze stichting heeft op diezelfde datum hiervoor een aantal personeelsleden in dienst genomen. In oktober 2009 is de stichting met een andere stichting overeengekomen om een gezamenlijk bestuursbureau op te richten waarin de ondersteunende taken jegens de scholen wordt ondergebracht. Op basis van de overeenkomst worden de personeels- en overheadkosten van het gezamenlijk bestuursbureau door de ene stichting, de penvoerder, aan de andere stichting doorberekend op basis van het aantal leerlingen op de jaarlijkse teldatum van 1 oktober voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar. Hierbij wordt een verhouding gehanteerd van 1 (leerlingen basisonderwijs):3 (leerlingen speciaal onderwijs). Op 1 november 2011 is een nieuwe samenwerkingsovereenkomst getekend voor onbepaalde tijd, maar op basis van een vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen om de samenwerking per 1 juni 2013 te beëindigen.

De inspecteur heeft over de periode van 2009 t/m 2011, 2012 en 1 januari tot en met 30 juni 2013 naheffingsaanslagen opgelegd. Naar de mening van de stichting ten onrechte, omdat zij meent dat voldaan is aan de voorwaarden voor kosten voor gemene rekening. Na afwijzing van het bezwaar heeft de stichting beroep ingesteld bij Rechtbank Noord-Holland. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep betwist de inspecteur niet langer dat sprake is van een tevoren vaststaande verdeelsleutel. Wel betwist hij dat het risico van de kosten volgens de overeengekomen verdeelsleutel aangaat. Naar het oordeel van het hof heeft de stichting aannemelijk gemaakt dat zij als penvoerder kosten heeft gemaakt ten behoeve van zichzelf en ten behoeve van de andere stichting. Hierbij acht het hof van belang dat vanaf het moment van de oprichting sprake is geweest van de verdeling van personeelskosten en dat ook de andere stichting voor deze kosten risico liep. Bij het beëindigingen van de samenwerkingsovereenkomst heeft dit risico zich geopenbaard, hetgeen ertoe heeft geleid dat de andere stichting aan de penvoerder een schadevergoeding diende te betalen voor het bij de penvoerder achtergebleven boventallig personeel en daarnaast een deel van dit personeel op detacheringsbasis diende over te nemen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de andere stichting van meet af aan betrokken is geweest bij de aansturing van het personeel alsmede bij rechtspositionele beslissingen omtrent de personeelsleden. Ook het risico voor de (zonder winstopslag) verdeelde huisvestingskosten heeft zich verwezenlijkt en de andere stichting heeft aan de penvoerder een vergoeding voor de huisvestingskosten moeten betalen. Het hof oordeelt daarom dat betalingen aan de penvoerder geen vergoedingen zijn voor aan de andere stichting verrichte prestaties en verklaart het hoger beroep gegrond.

Het is opvallend dat de inspecteur in hoger beroep is teruggekomen op zijn standpunt in eerste aanleg (dat door de rechtbank werd gevolgd) dat een verdeelsleutel op basis van het aantal leerlingen op een bepaalde datum geen van tevoren vaststaande verdeelsleutel is. Tot op heden werden verdeelsleutels op basis van patiënten- of leerlingenaantallen op een bepaalde datum door de Belastingdienst niet als een tevoren vaststaande verdeelsleutel erkend. Naar onze mening ten onrechte. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad inzake het leerstuk van kosten voor gemene rekening is naar onze mening niet af te leiden dat een verdeelsleutel alleen vast is als er vooraf een bepaald percentage overeengekomen is. Wij hopen daarom dat het loslaten van die ‘percentage-eis’ bij het leerstuk van kosten voor gemene rekening geen eendagsvlieg is, maar landelijk beleid wordt. Het oordeel van het hof lijkt overigens om de hete brij heen te draaien. Door de inspecteur is in hoger beroep namelijk niet betwist dat het gaat om gezamenlijke kosten en dat ook de andere stichting risico droeg, maar uitsluitend betwist dat het risico de andere stichting volgens de overeengekomen verdeelsleutel aangaat. Het hof gaat hier echter niet expliciet op in. Het zou ons daarom niet verbazen als de staatssecretaris cassatieberoep instelt. Voor deze uitspraak en meer informatie over kosten voor gemene rekening zie