5 mei 2017Koepelvrijstelling beperkt tot diensten die direct nodig zijn voor onbelaste activiteit leden

Uit oogpunt van efficiency worden nogal eens koepelorganisaties opgericht waardoor bepaalde activiteiten worden gecentraliseerd. Om te voorkomen dat het oprichten van een koepelorganisatie door niet-aftrekgerechtigde personen tot een btw-nadeel zou leiden, is in art. 11, lid 1, onderdeel u Wet OB een vrijstelling voor de diensten door koepelorganisaties, de zogenoemde ‘koepelvrijstelling’, opgenomen.

De koepelvrijstelling heeft als doel om te voorkomen dat de noodzakelijke samenwerking met andere ondernemingen in een koepelorganisatie ertoe leidt dat er over de noodzakelijke diensten voor de (onbelaste) activiteiten van de leden btw verschuldigd is.

De Europese Commissie heeft tegen Luxemburg een inbreukprocedure gestart, omdat zij van mening is dat Luxemburg de koepelvrijstelling te ruim toepast. In Luxemburg is de koepelvrijstelling (ook) van toepassing op diensten die niet direct nodig zijn voor de uitoefening van de onbelaste activiteiten van de leden en bestaat er de mogelijkheid dat een lid van een koepel btw aftrekt van kosten die worden afgenomen door de koepel zelf. Net als A-G Kokott is het HvJ van oordeel dat Luxemburg zijn verplichtingen niet is nagekomen en daarmee art. 132, lid 1, onderdeel f, btw-richtlijn heeft geschonden.

De Europese Commissie heeft voor het HvJ drie grieven aangevoerd: over de onverenigbaarheid van de nationale koepelvrijstelling met art. 132, lid 1, onderdeel f btw-richtlijn, de strijdigheid van het toekennen van het aftrekrecht aan de leden terwijl de prestaties door de koepelorganisaties zijn afgenomen en over de strijdigheid met de commissionairsfictie om de terugbetaling die het lid van de koepel ontvangt voor de prestatie die het lid op eigen naam – maar voor rekening van de koepel – bij een derde afneemt buiten de werkingssfeer van de btw valt.

Het HvJ oordeelt dat de bewoordingen van de koepelvrijstelling van art. 132, lid 1, onderdeel f btw-richtlijn strikt moeten worden uitgelegd. In de richtlijnbepaling wordt gesproken over ‘diensten die direct nodig zijn voor de uitoefening van vrijgestelde activiteiten of activiteiten waarvoor de leden niet belastingplichtig zijn’. Dit betekent dat de koepelvrijstelling niet ziet op diensten die niet direct nodig zijn voor de uitoefening van de onbelaste activiteiten van de leden. Daarmee is de Luxemburgse koepelvrijstelling in strijd met art. 132, lid 1, onderdeel f btw-richtlijn. Met betrekking tot het aftrekrecht is het HvJ van oordeel dat uit de koepelvrijstelling volgt dat de koepel zelf belastingplichtig is. Wanneer de koepel prestaties afneemt, is de koepel degene die het recht op aftrek van de btw heeft voor zover zij belaste prestaties verricht. Het is de leden van de koepel dus niet toegestaan om de btw die aan de koepel in rekening is gebracht voor een prestatie die aan de koepel wordt verricht, zelf in aftrek te brengen. Daarmee is de Luxemburgse verordening ook in strijd met art. 168 en 178 btw-richtlijn inzake het recht op aftrek van btw. Ten aanzien van de terugbetaling die het lid van de koepel ontvangt voor de prestatie die het lid op eigen naam – maar voor rekening van de koepel – bij een derde heeft afgenomen, is het HvJ van oordeel dat de commissionairsfictie van toepassing is en daardoor beide prestaties onder de werkingssfeer van de btw valt. Op basis van de commissionairsfictie wordt dan geacht dat het lid een prestatie van een derde heeft afgenomen en deze vervolgens verricht aan de koepel. In dit kader is ook de COBMA-nota in strijd met de commissionairsfictie van art. 14, lid 2, onderdeel c en art. 28 btw-richtlijn, nu deze inhoudt dat de terugbetaling door de koepel aan het lid buiten de werkingssfeer van de btw valt. Het HvJ concludeert dat Luxemburg zijn verplichtingen niet is nagekomen en daarmee de artikelen 132, lid 1, onderdeel f, 168, 14, lid 2, onderdeel c en art. 28 btw-richtlijn geschonden heeft.

 Lidstaten zijn verplicht om de bepalingen uit de btw-richtlijn te implementeren in de nationale wetgeving. Daarbij is het niet noodzakelijk dat de letterlijke tekst van de richtlijn wordt overgenomen, maar hebben de lidstaten een zekere mate van vrijheid. Het is echter wel vereist dat het doel/resultaat van de richtlijn wordt bereikt. Als een lidstaat zijn verplichting uit de richtlijn niet naleeft of in strijd met de richtlijn implementeert, kan de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen die lidstaat starten. In casu zien we dat Luxemburg niet aan zijn verplichtingen is nagekomen en daardoor de toepasselijke richtlijnartikelen heeft geschonden. Het is niet verrassend dat het HvJ hetzelfde standpunt inneemt als A-G Kokott. Uit de bewoordingen van de koepelvrijstelling volgt namelijk expliciet dat deze alleen geldt voor diensten die worden verricht die direct nodig zijn voor de uitoefening van de onbelaste activiteiten van de leden. Dit wordt nu ook bevestigd door het HvJ. Met betrekking tot de koepelvrijstelling lopen er momenteel nog een aantal procedures bij het HvJ, zoals DNB Banka AS en Aviva. In die beide zaken zal het HvJ eveneens aangeven dat de vrijstelling beperkt moet worden uitgelegd. Van een beperking tot alleen die koepels die de in art. 132, lid 1, onderdeel f, btw-richtlijn genoemde activiteiten verrichten zal naar onze inschatting geen sprake zijn. Of een geringe opslag van 5% op de werkelijke kosten roet in het eten gooit zal eveneens duidelijk moeten worden. Een beperkte uitleg zoals het HvJ die voorstaat kan gaan betekenen dat een dergelijke opslag de toepassing van de vrijstelling al kan hinderen. Ook wordt dan duidelijk of de Nederlandse invulling van de voorwaarde van het concurrerende karakter van de activiteiten van de koepel aan de leden beperkend werkt en er sneller sprake zal zijn van concurrerende activiteiten.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op