11 oktober 2016Koepelvrijstelling alleen voor diensten die direct nodig zijn voor onbelaste diensten leden

In de inbreukprocedure tegen Luxemburg heeft het A-G geoordeeld dat de Luxemburg de koepelvrijstelling te ruim heeft toegepast.

De Europese Commissie heeft een inbreukprocedure tegen Luxemburg aangespannen, omdat Luxemburg de koepelvrijstelling te ruim toepast. Naar de mening van de Europese Commissie past Luxemburg de koepelvrijstelling ten onrechte toe op diensten van een koepelorganisatie die niet direct nodig zijn voor de uitoefening van de onbelaste activiteiten van de leden. Daarnaast acht de Europese Commissie het in strijd met art. 168 en 178 van de btw-richtlijn dat Luxemburg een aftrekrecht verleend voor prestaties die niet aan de leden, maar aan de koepelorganisaties zijn verricht. Ten slotte acht de Europese Commissie het in strijd met de commissionairsregeling van art. 14, lid 2, onderdeel c en art. 28 van de btw-richtlijn dat het op eigen naam van een lid, maar voor rekening van de koepelorganisatie inkopen van een prestatie bij een derde wordt aangemerkt als een handeling die buiten de btw-sfeer valt.

A-G Kokott (hierna: de A-G) heeft in deze zaak een conclusie genomen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid meent de A-G dat het irrelevant is of Luxemburg na het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn corrigerende maatregelen heeft genomen. Voor de gegrondheid van het beroep in de inbreukprocedure is uitsluitend de rechtstoestand in Luxemburg aan het einde van die termijn van belang. Ten aanzien van de koepelvrijstelling is de A-G van mening dat Luxemburg deze vrijstelling ten onrechte toepast op diensten die niet direct nodig zijn voor de onbelaste activiteiten van de leden. Met betrekking tot het aftrekrecht meent de A-G dat als de koepelorganisatie een belastingplichtige is, het in strijd is met art. 168 btw-richtlijn om een lid btw-aftrek te verlenen voor prestaties die door de koepelorganisaties zijn afgenomen. Het verlenen van een aftrekrecht aan een lid is wel mogelijk indien de koepelorganisatie zelf geen belastingplichtige is, zoals het geval kan zijn bij een vereniging van eigenaars (vve). Ten slotte acht de A-G het in strijd met art. 14, lid 2, onderdeel c en art. 28 van de btw-richtlijn dat het op eigen naam, maar voor rekening van de koepelorganisatie afnemen van een prestatie door een lid niet in aanmerking wordt genomen voor de btw. Volgens de A-G wordt het lid in een dergelijk geval geacht een prestatie af te nemen en deze prestatie vervolgens te verrichten aan de koepelorganisatie. De A-G adviseert het HvJ daarom te oordelen dat Luxemburg de artikelen 132, lid 1, onderdeel f, 168, 14, lid 2, onderdeel c en 28 btw-richtlijn geschonden heeft.

 De A-G stelt terecht dat de koepelvrijstelling slechts van toepassing is op diensten die direct nodig zijn voor de onbelaste activiteiten van de leden. Wanneer hiervan sprake is laat de A-G in het midden. Naar onze mening zou hiervoor aansluiting kunnen worden gezocht bij de aftrekregels: een rechtstreeks en onmiddellijk samenhang met een bepaalde handeling. Indien het HvJ de strikte uitleg van de koepelvrijstelling volgt, hetgeen wij verwachten, dan betekent dit dat de staatssecretaris geen mogelijkheid zal zien om, zoals door VNG is bepleit, de koepelvrijstelling ook toe te passen op diensten door een samenwerkingsverband van gemeenten die door de gemeenten niet uitsluitend worden gebruikt voor onbelaste activiteiten. De vraag wanneer een koepelorganisatie btw-ondernemer is, is overigens in de praktijk niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. Hierbij kan gedacht worden aan de vve’s. Indien een vve bepaalde kosten doorbelast aan de eigenaars zijn zij hiervoor dan btw-ondernemer? Ook bij verenigingen kan het onduidelijk zijn of zij btw-ondernemer zijn. Denk hierbij aan de vraag of de contributie nu wel of niet de vergoeding is die voldoende rechtstreeks verband houdt met een of meerdere prestaties aan de leden. Dit laat onverlet dat de ‘ondernemersvraag’ wel beantwoord moet worden. Indien de koepelorganisatie btw-ondernemer is kan zij namelijk voor de btw niet genegeerd worden bij de afname van prestaties of voor het aftrekrecht. Dat is de duidelijke boodschap die de A-G in haar conclusie afgeeft. En naar wij verwachten zal het HvJ op dezelfde lijn zitten. Voor meer informatie over de koepelvrijstelling zie 8.2.12.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op