27 februari 2017Intracommunautaire verwerving vee niet vrijgesteld van btw-heffing

Intracommunautaire verwervingen zijn in beginsel belast in de lidstaat van aankomst van de goederen. Op grond van artikel 17e, onderdeel a, van de Wet OB geldt een vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen ten aanzien van goederen waarvan de levering in Nederland in elk geval is vrijgesteld. In cassatie bij de Hoge Raad staat de vraag centraal of een veehandelaar zich kan beroepen op deze vrijstelling.

De feiten zijn als volgt. Een fiscale eenheid, bestaande uit twee vennootschappen, handelt in vee. Zij beschikken over een vaste inrichting in Duitsland van waaruit vee wordt vervoerd naar Nederland. De veehandelaar is van mening dat de levering van vee in elk geval is vrijgesteld op grond van de veehandelsregeling en daarmee is voldaan aan de voorwaarde voor de vrijstelling van intracommunautaire verwervingen. De inspecteur vindt dat de vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen niet van toepassing is en weigert de teruggaaf van btw. De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling van artikel 17e Wet OB niet van toepassing is en daarmee de intracommunautaire verwerving van vee niet vrijgesteld is van btw-heffing.

Rechtbank Leeuwarden heeft geoordeeld dat de veehandelsregeling een buitenwettelijke regeling is die is gebaseerd op een goedkeuring, waardoor de regeling niet kan worden aangemerkt als een ‘vrijstelling in Nederland’ in de zin van de Wet OB of de btw-richtlijn. Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de uitspraak van de rechtbank en geeft aan dat een levering van vee niet in elk geval is vrijgesteld, omdat er ook veehandelaren zijn die de veehandelsregeling niet toepassen.

De Hoge Raad heeft het advies van A-G Ettema gevolgd. De vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen (artikel 17e, onderdeel a, Wet OB) is alleen van toepassing als de levering van vee in Nederland in elk geval is vrijgesteld. Dat is niet het geval. De veehandelsregeling is een goedkeuring van de Staatssecretaris van Financiën waarbij veehandelaren de keuze krijgen om deze regeling al dan niet toe te passen. In dat kader kan de veehandelsregeling niet worden beschouwd als een regeling die een vergelijkbare werking heeft als een vrijstelling. De Hoge Raad verwerpt het betoog dat de leveringen van vee met toepassing van de veehandelsregeling vrijgesteld zijn, omdat de veehandelsregeling veronderstelt dat geen btw is verschuldigd en niet dat sprake is van een vrijstelling. Ook het beroep op het arrest VDP wordt door de Hoge Raad verworpen. De betekenis van het arrest VDP strekt voor intracommunautaire verwervingen niet verder dan de toepassing van artikel 140 btw-richtlijn en ziet uitsluitend op vrijstellingen die een lidstaat in overeenstemming met de btw-richtlijn in haar nationale wetgeving heeft opgenomen. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de btw-richtlijn een lidstaat verplicht om een intracommunautaire verwerving die in strijd is met de btw-richtlijn buiten de heffing van btw te laten wanneer die lidstaat – in afwijking van de btw-richtlijn – de binnenlandse levering van hetzelfde goed buiten de heffing van btw laat. De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling van artikel 17e Wet OB niet van toepassing is en daarmee de intracommunautaire verwerving van vee niet vrijgesteld is van btw-heffing.

 Wij delen het oordeel van de Hoge Raad. De veehandelsregeling is namelijk geen wettelijke regeling, maar een goedkeuring van de Staatssecretaris van Financiën. De veehandelsregeling kan niet gelijk worden gesteld met een vrijstelling. Ten eerste is het een optionele regeling waarbij veehandelaren zelf de keuze hebben voor toepassing van deze regeling, waardoor de levering niet in elk geval is vrijgesteld. Ten tweede volgt uit punt 7.1 van het Besluit van 20 december 2013, nr. BLKB 2013/2253M dat de veehandelaar die gebruik maakt van de veehandelsregeling zich bij het verrichten van intracommunautaire transacties moet gedragen als ware hij een landbouwer die gebruikmaakt van de landbouwregeling zoals bedoeld in artikel 27 Wet OB. Hieruit volgt dat op grond van artikel 1a, lid 2, onderdeel a Wet OB de intracommunautaire verwervingen van een dergelijke landbouwer alleen niet aan btw is onderworpen, indien in het vorige kalenderjaar en in het lopende kalenderjaar het totaal van de vergoedingen van intracommunautaire verwervingen de drempel van €10.000 niet overschrijdt. Gelet op al deze kenmerken van de veehandelaarsregeling kan de vrijstelling voor intracommunautaire verwerving van vee niet worden toegepast. Wanneer de veehandelsregeling wordt toegepast, is de levering van vee niet meer aan btw onderworpen. De keerzijde is dat de veehandelaar dan geen recht op aftrek van voorbelasting heeft.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op