11 november 2016Integratieheffings-btw verschuldigd over restwaarde erfpachtrecht

De Hoge Raad heeft in de zaak Het Oudeland Beheer B.V. – conform het arrest van het HvJ – beslist dat de ‘restwaarde’ van het erfpachtrecht tot de maatstaf van de integratieheffing behoort.

In de zaak Het Oudeland Beheer B.V. is een erfpachtrecht gevestigd voor twintig jaar op een perceel grond met een kantoorpand in aanbouw. Deze vestiging is als een btw-belaste levering aangemerkt en bij vestiging van dit recht over de gekapitaliseerde waarde van de canon is btw voldaan. Na de vestiging van het erfpachtrecht is het kantoorpand afgebouwd en deels btw-belast en deels btw-vrijgesteld verhuurd. Vanwege de (gedeeltelijke) ingebruikneming voor vrijgestelde verhuur heeft Het Oudeland Beheer B.V. een integratieheffing voldaan over de kosten van de afbouw en de waarde van de canon die op het moment van de integratieheffing reeds vervallen was. De inspecteur meende echter dat de gehele gekapitaliseerde waarde van de canon tot de maatstaf van de integratieheffing behoort.

In eerste aanleg stelt Rechtbank Den Haag de inspecteur in het gelijk, maar in hoger beroep stelt Hof Den Haag de B.V. in het gelijk. De Hoge Raad twijfelt over de vraag hoe de integratieheffing in dit geval moet uitpakken en heeft besloten om de volgende prejudiciële vragen te stellen:
1. Behoort de kostprijs van grond of andere stoffen of materialen waarvoor de belastingplichtige btw heeft betaald ter zake van de verkrijging, in dit geval door de vestiging van een zakelijk recht dat de bevoegdheid geeft een onroerend goed te gebruiken, niet tot de maatstaf van de integratieheffing? Is dit anders indien de belastingplichtige deze btw op grond van de nationale wettelijke bepalingen bij die aanschaf in aftrek heeft gebracht?
2. Behoort in een geval waarin de grond met opstal in aanbouw is verkregen met de vestiging van een zakelijk recht de waarde van de canon, dat wil zeggen de waarde gedurende de looptijd dan wel de resterende looptijd van het zakelijke recht van jaar tot jaar te betalen bedragen, tot de maatstaf van de integratieheffing?

In antwoord op de eerste vraag oordeelt het HvJ dat btw kan worden geheven over het door een btw-ondernemer voor vrijgestelde activiteiten bestemmen van een onroerend goed dat gebouwd is op een perceel grond waarop een zakelijk recht is gevestigd dat de bevoegdheid geeft een onroerend goed te gebruiken, op voorwaarde dat de btw-ondernemer de btw over de waarde van het verkregen zakelijk recht en de afbouwkosten van de opstal (die tezamen de maatstaf van heffing vormen) al heeft betaald, maar ook volledig in aftrek heeft gebracht. Hiermee wordt verduidelijkt wat het HvJ in het Gemeente Vlaardingen-arrest bedoeld heeft met haar oordeel dat de Nederlandse integratieheffing door de beugel kan voor zover over de waarde van de grond, de opstallen en de vervaardigingskosten door de belastingplichtige nog geen btw is betaald. Onder nog geen btw is betaald moet dus eveneens worden verstaan: betaald en volledig in aftrek gebracht.

In antwoord op de tweede vraag oordeelt het HvJ dat in deze zaak, waarin de grond met opstal in aanbouw is verkregen met de vestiging van een zakelijk recht, de waarde van dit zakelijk recht – die moet worden begrepen in de maatstaf van de integratieheffing – overeenstemt met de totale waarde van de resterende bedragen die nog als jaarlijkse canon moeten worden betaald op het tijdstip van de bestemming van het pand. Volgens het HvJ is – zoals de Nederlandse regering aangevoerd heeft – de gekapitaliseerde waarde van de canons over de gehele duur van het erfpachtrecht namelijk niet gelijk aan het volledige bedrag van de kostprijs van het erfpachtrecht, bepaald op het tijdstip van bestemming van het goed. Dan zou worden voorbijgegaan aan de regel dat de kostprijs moet worden bepaald op het tijdstip van verrichting van de levering. Anderzijds is het volgens het HvJ evenmin zo dat – zoals Het Oudeland B.V. aangevoerd heeft – de kostprijs van het erfpachtrecht slechts gelijk is aan de waarde van de reeds betaalde canons. Die waarde komt immers niet overeen met de waarde van het erfpachtrecht op het moment van bestemming van het goed.

De Hoge Raad oordeelt – met inachtneming van het arrest van het HvJ – dat de gekapitaliseerde waarde van de jaarlijkse canon gedurende de resterende looptijd van de erfpachtovereenkomst tot de maatstaf van de integratieheffing behoort. Deze ‘restwaarde’ moet volgens dezelfde methode worden vastgesteld als voor de bepaling van de waarde van de vestiging van het erfpachtrecht. Het hof heeft daarom ten onrechte slechts de vóór de integratielevering reeds vervallen canon tot de maatstaf van heffing gerekend. Omdat tussen partijen geen geschil bestaat over de vraag of Het Oudeland Beheer B.V. de reeds betaalde canon als kostprijselement in de maatstaf van heffing heeft begrepen, doet de Hoge Raad de zaak zelf af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

 De (kostprijsverhogende) integratieheffing is al ruim twee jaar, sinds 1 januari 2014, verleden tijd, maar nog altijd lopen er procedures over oude tijdvakken over de vraag tot welk bedrag de heffing verschuldigd is. Dat de Hoge Raad oordeelt dat slechts de (rest)waarde van het beperkte recht op het moment van de ingebruikneming van het kantoorpand tot de maatstaf van de integratieheffing behoort en dus niet de waarde van het beperkte recht ten tijde van de vestiging, is na het arrest van het HvJ geen verrassing. Omdat tussen partijen slechts in geschil is of alleen de vervallen canon dan wel de volledige gekapitaliseerde van de jaarlijkse canons tot de maatstaf van de integratieheffing behoort, bevestigt de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de naheffingsaanslag volledig(!) in stand blijft en dat geen rekening wordt gehouden met de door Het Oudeland Beheer B.V. voldane integratieheffings-btw over de vervallen canon. Strikt formeel gezien is deze beslissing te begrijpen, maar zij is moeilijk uit te leggen aan de belanghebbende in kwestie. De termijn voor een verzoek om ambtshalve teruggaaf voor deze btw is immers reeds geruime tijd verlopen en bovendien is er sprake van nieuwe jurisprudentie, hetgeen betekent dat Het Oudeland B.V. de voldane integratieheffings-btw over de vervallen canon niet terugkrijgt. Een dergelijk resultaat is niet richtlijnconform. Een minder formele opstelling van de Hoge Raad had derhalve tot een bevredigender resultaat kunnen leiden. De door de Hoge Raad in zijn verwijzingsarrest opgeworpen vraag of de Nederlandse maatstaf van heffing bij de vestiging van een beperkt recht die als een levering kwalificeert (heffing van btw over gekapitaliseerde waarde canon op moment vestiging) door de Unierechtelijke beugel kan, blijft (zoals verwacht) onbeantwoord. Hierover bestond in deze zaak geen geschil. Deze vraag, die ook voor tijdvakken na 2014 van belang is, zal daarom in een andere procedure moeten worden beantwoord.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op