20 december 2013Integratieheffing over voortbrengingskosten kunstgras- en asfaltvelden

De gemeente Vlaardingen verhuurt een aantal sportgrasvelden aan sportverenigingen. In 2003 en 2004 worden een aantal van deze grasvelden in opdracht van de gemeente vervangen door kunstgras- en asfaltvelden (hierna: kunstgrasvelden). De aannemers hebben ter zake van de aanleg van deze velden btw in rekening gebracht. Deze in rekening gebrachte btw is door de gemeente niet in aftrek gebracht. De gemeente heeft deze velden vervolgens opnieuw zonder btw verhuurd aan dezelfde sportverenigingen. In deze zaak is in geschil of de gemeente Vlaardingen door de ingebruikneming van de sportvelden voor vrijgestelde verhuur een integratieheffing verschuldigd is over de totale voortbrengingskosten van de kunstgrasvelden. Omdat de gemeente de btw op de aanlegkosten niet in aftrek had gebracht gaat het om per saldo om de vraag of er btw verschuldigd is over de waarde van de grond. In deze procedure staat vast dat de kunstgrasvelden in opdracht zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van de grond. De Hoge Raad heeft in deze zaak prejudiciële vragen gesteld over de (on)houdbaarheid van de Nederlandse integratieheffing.

Het HvJ EU heeft geoordeeld dat het niet in strijd is met het gemeenschapsrecht (thans unierecht) om de ingebruikneming van de kunstgrasvelden voor vrijgestelde verhuur door de gemeente Vlaardingen te onderwerpen aan een integratieheffing over de waarde van de grond en de kosten van de bewerking ervan, voor zover de gemeente over die waarde van de grond en kosten nog geen btw heeft betaald en de kunstgrasvelden kwalificeren als nieuwe gebouwen met het erbij behorend terrein of bouwterreinen. De Hoge Raad, waarnaar de zaak wordt terugverwezen, moet allereerst beoordelen of de gemeente vóór de in het geding zijnde naheffing btw heeft betaald over de waarde van de grond waarop de kunstgrasvelden liggen. Als de gemeente Vlaardingen de sportvelden in het verleden met btw heeft verkregen dan mag de waarde van de sportvelden niet nogmaals in de integratieheffing worden betrokken. Mocht de gemeente de sportvelden zonder btw hebben verkregen dan zal de Hoge Raad na moeten gaan of de ingebruikneming van de kunstgrasvelden voor de vrijgestelde verhuur belast is met btw, hetgeen uitsluitend het geval is wanneer de kunstgrasvelden kwalificeren als vervaardigde gebouwen of bouwterreinen.

In haar conclusie heeft A-G Van Hilten de Hoge Raad geadviseerd opnieuw een prejudiciële vraag voor te leggen aan het HvJ EU, namelijk de vraag of kunstgrasvelden kwalificeren als gebouwen, dat wil zeggen ‘vast met de grond verbonden bouwwerken’. De Hoge Raad heeft echter besloten om de zaak, zonder opnieuw prejudiciële vragen te stellen, zelf af te doen. Naar het oordeel van de Hoge Raad bestaat geen aanleiding om te onderzoeken of de gemeente reeds btw heeft betaald over de waarde van de grond waarop de kunstgrasvelden liggen, aangezien reeds in eerste aanleg door de rechtbank is vastgesteld dat de gemeente vóór de in het geding zijnde naheffing geen btw heeft betaald. Voorts stelt de Hoge Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de betrokken terreinen een zodanige bewerking hebben ondergaan dat bebouwde gronden zijn ontstaan, zodat de ingebruikneming van de kunstgrasvelden belast is met btw.

Zie 2.2 voor deze uitspraak en meer informatie over de integratieheffing.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op