7 juli 2017Inspecteur maakt niet aannemelijk dat geen sprake is van btw-vrijgestelde aandelentransactie

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vergoeding die is betaald voor de onbelaste overdracht van de aandelen ziet op een btw-belaste prestatie.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Een B.V. houdt zich bezig met de verhuur van onroerend goed (geen woonruimte), het verkrijgen, beheren, exploiteren, bezwaren en vervreemden van registergoederen en vermogenswaarden in het algemeen, waaronder ook het beleggen van vermogen. De B.V. verkoopt haar aandelenpakket tegen een koopsom van € 4,4 miljoen. Uit derdenonderzoeken is gebleken dat deze vergoeding niet gebaseerd is op de werkelijke prijs dan wel de werkelijke waarde van de aandelen. De inspecteur is van mening dat de overeengekomen vergoeding feitelijk betrekking heeft op een btw-belaste dienst bestaande uit het beschikbaar stellen van kennis, kunde en contacten door de B.V. aan de koper en legt een naheffingsaanslag op. Het bezwaar van de B.V. wordt afgewezen. Bij de rechtbank is in geschil of de verkoopakte ziet op een overdracht van aandelen (btw-vrijgesteld) of op een btw-belaste dienst.

Uit de rechtspraak volgt dat de economische realiteit een fundamenteel criterium is voor de toepassing van het gemeenschappelijke stelsel van de btw. De contractuele bepalingen kunnen hierbij een factor zijn, maar wanneer deze niet de economische en commerciële realiteit weergeven en enkel een zuiver kunstmatige constructie vormen die geen verband houdt met de economische realiteit, kan aan die contractuele bepalingen voorbij worden gegaan. De objectieve aard in deze zaak is dat de B.V. een pakket aandelen heeft verkocht en daarvoor een vergoeding van € 4,4 miljoen heeft bedongen. Wanneer de inspecteur dit betwist, moet hij aannemelijk maken dat sprake is van een btw-belaste prestatie. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur hierin niet is geslaagd. Uit de desbetreffende passage in de akte kan niet worden afgeleid dat de bij de verkoop tot stand gekomen overdrachtsprijs betrekking heeft op het door de B.V. beschikbaar (blijven) stellen van kennis en belangrijkste klantcontacten aan de koper. Kennelijk is dit de prijs die de kopers voor de aandelen bereid zijn om te betalen. De inspecteur moet met meer argumenten en feiten komen die erop kunnen wijzen dat de vergoeding van € 4,4 miljoen op een andere dienst ziet dan op de verkoop van de aandelen. De naheffingsaanslag is onterecht opgelegd. Het beroep wordt gegrond verklaard. 

 Voor de kwalificatie van een prestatie wordt in beginsel aansluiting gezocht bij de contractuele bepalingen, tenzij aannemelijk is dat sprake is van een schijnhandeling (lees: de prestatie vindt in werkelijkheid niet plaats) of misbruik van recht. In deze zaak wijst de akte erop dat het om de overdracht van een aandelenpakket gaat. Weliswaar zijn de aandelen voor een hoger bedrag verkocht dan ze op dat moment waard zijn, maar dit is, zoals de rechtbank terecht oordeelt, geen reden zijn om aan te nemen dat er feitelijk een andere prestatie (dienst) wordt verricht. De inspecteur zal met meer feiten moeten komen om aannemelijk te maken dat in werkelijkheid een andere prestaties is verricht dan in de akte is vermeld. Voor de inspecteur zal dit echter geen gemakkelijke opgave zijn.  

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op