23 april 2018Inspecteur heeft onvoldoende aangetoond dat sprake is van wetenschap van btw-fraude

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof niet voldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van wetenschap van btw-fraude. Het hof mocht niet de stelling van de inspecteur volgen dat uit een verklaring van de verkoopmedewerker kon worden afgeleid dat sprake was van wetenschap van btw-fraude. Bovendien heeft het hof nagelaten bepaalde stellingen van belanghebbende te behandelen. De zaak wordt doorverwezen naar hof Amsterdam.

Feiten

Een moedervennootschap en twee werkmaatschappijen die elk een handelsonderneming in personenauto’s drijft, vormen sinds 1 oktober 2006 een fiscale eenheid voor de btw. Werkmaatschappij A heeft in de jaren 2007 en 2008 in totaal 672 personenauto’s met btw van een leverancier gekocht waarbij de auto’s afkomstig waren uit Duitsland. De fiscale eenheid heeft deze btw in aftrek gebracht. De FIOD heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in 2011 een onderzoek verricht naar de aan- en verkopen van personenauto’s in Nederland. Daarbij is onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van afnemers van genoemd leverancier, waaronder de twee werkmaatschappijen. Tijdens een onderzoek in het bedrijfspand van werkmaatschappij A heeft de FIOD de aanwezige administratie in beslag genomen, waaronder de administratie van werkmaatschappij B die ook in hetzelfde bedrijfspand was opgeslagen. In de administratie van werkmaatschappij B heeft de FIOD facturen uit 2006 gevonden van achtereenvolgende verkopen in België van een auto. Daarbij heeft de FIOD afgeleid dat de inkoopprijs van de auto eerder in de keten van leveringen in België hoger was dan de prijs waarvoor werkmaatschappij A deze heeft gekocht van de leverancier. De inspecteur is op basis van de uitkomsten van het FIOD-onderzoek van mening dat de werkmaatschappijen deelnamen aan btw-fraude dan wel dat de werkmaatschappijen wisten of konden weten dat de aankopen in 2007 en 2008 deel uitmaakten van een keten van leveringen waarbij btw-fraude werd gepleegd in de schakels voorafgaand aan de leveringen van de leverancier aan werkmaatschappij A. Er wordt een naheffingsaanslag opgelegd waarbij de in aftrek gebrachte btw wordt nageheven.

Rechtbank en hof

Zowel de rechtbank als het hof is van oordeel dat de fiscale eenheid geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting, omdat de directeur van werkmaatschappij B betrokken was dan wel op de hoogte was van de door de leverancier verrichte frauduleuze handelingen. Hun oordeel is gebaseerd op een geloofwaardig geachte verklaring die een verkoopmedewerker van de fiscale eenheid tijdens een verhoor heeft afgelegd. De werkmaatschappij heeft niet alles gedaan wat redelijkerwijs binnen haar mogelijkheden lag om te zorgen dat zij door haar handelingen niet (nogmaals) betrokken raakte bij belastingfraude. Integendeel, de verschuldigde btw die opzettelijk niet op aangifte is voldaan is wel in aftrek gebracht.

Hoge Raad

In cassatie heeft de fiscale eenheid een aantal processuele gronden aangevoerd. De Hoge Raad geeft aan dat het hof niet zomaar uit de verklaring van de verkoopmedewerker kon afleiden dat sprake was van wetenschap van belastingfraude zonder een motivering te geven. Daarnaast heeft het hof onterecht diverse stellingen van de fiscale eenheid onbehandeld gelaten, zodat de zaak terugverwezen moet worden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en verwijst de zaak door naar Hof Amsterdam om te onderzoeken of de fiscale eenheid wist of had behoren te weten dat de inkooptransacties deel uitmaakten van een keten van transacties waarin btw-fraude werd gepleegd.

In gevallen waarin de inspecteur van mening is dat sprake is van btw-fraude ligt de bewijslast bij de inspecteur. Dat in dit geval de administraties van beide werkmaatschappijen met elkaar zijn gecombineerd, is toegestaan. Combineren van administraties is mogelijk, omdat de (rechts)personen die van een fiscale eenheid deel uitmaken tezamen als één ondernemer worden aangemerkt. De administraties van de afzonderlijke leden moeten dan worden aangemerkt als de administratie van die ene ondernemer, de fiscale eenheid. Verder laat dit arrest zien dat het belangrijk is om gronden aan te voeren als de rechtbank of het hof stellingen onbehandeld laat. Doordat de zaak opnieuw door een ander gerechtshof wordt behandeld, is het mogelijk dat de uitkomst anders is.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op