9 oktober 2017Ingrijpende hervorming btw-regels intracommunautaire goederentransacties voorgesteld

De Europese Commissie heeft een voorstel ingediend voor een ingrijpende hervorming van de btw-regels voor intracommunautaire goederentransacties.

Op grond van de huidige btw-regels is de intracommunautaire levering door de btw-ondernemer in de lidstaat van vertrek belast met 0% (in de Btw-richtlijn: btw-vrijstelling met recht op aftrek). De afnemende btw-ondernemer of rechtspersoon/niet-ondernemer is in de lidstaat van aankomst btw verschuldigd over de verwerving van de goederen en mag deze verwervings-btw in dezelfde aangifte in aftrek brengen (‘plussen en minnen’) indien en voor zover hij de verworven goederen voor aftrekgerechtigde activiteiten gebruikt. De huidige regels voor de intracommunautaire goederenleveringen dateren van 1993 en waren oorspronkelijk bedoeld als overgangsregeling. Duidelijk is dat btw-fraudeurs al sinds jaar en dag dankbaar gebruik maken van deze regels. De Europese Commissie (hierna: de EC) is dit een doorn in het oog en heeft een voorstel ingediend om de btw-regels voor intracommunautaire goederentransacties ingrijpend te wijzigen. De EC wil hiermee de omvang van de btw-fraude (de geschatte btw-fraude in 2015 bedraagt in de gehele EU circa € 50 miljard) reduceren met circa 80%.

Intracommunautaire goederentransacties van 2022 belast in lidstaat van aankomst
De EC stelt voor de intracommunautaire levering vanaf 2022 niet meer te belasten in de lidstaat van vertrek, maar alleen in de lidstaat waar de goederen aankomen. Dit betekent dat leverancier btw verschuldigd is in de lidstaat van aankomst tegen het aldaar geldende btw-tarief. Om te voorkomen dat de leverancier zich in al de lidstaten van zijn afnemers moet registreren voor de btw, stelt de EC een One Stop Shop-regeling voor. Deze regeling, die we reeds kennen voor B2C-telecommunicatie-, omroep en elektronische diensten, houdt in dat de leverancier in Nederland een aangifte indient voor deze leveringen in het buitenland en de hierover verschuldigde (buitenlandse) btw betaalt aan de Belastingdienst (in Nederland). De Belastingdienst betaalt deze btw-bedragen vervolgens door aan de lidstaten. Indien sprake is van een levering tussen Certified Taxable Persons (zie hierna) dan geldt echter dat de btw-heffing verlegd is naar de afnemer.

Certified Taxable Person
Het tweede dat de EC voorstelt is de introductie van de Certified Taxable Person. Hiermee wil de EC onderscheid maken tussen betrouwbare en onbetrouwbare btw-ondernemers. De EC stelt voor om een aantal nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen alleen open te stellen voor Certified Taxable Persons.

Vereenvoudigingsmaatregelen per 2019
Als derde stelt de EC een drietal vereenvoudigingsmaatregelen voor die op korte termijn (2019) in werking moeten treden. In de eerste plaats wil de EC de verschillende toepassing van de btw-regels voor call-off stock vervangen door een uniforme regeling. Deze regeling geldt alleen voor een transactie tussen Certified Taxable Persons en houdt in dat pas sprake is van een (intracommunautaire) levering aan en een intracommunautaire verwerving door degene bij wie de goederen (voor rekening en risico van de leverancier) zijn opgeslagen wanneer het goed uit de voorraad wordt gehaald. Wel dient een register te worden bijgehouden van de goederen die onder de call-off stock-regeling vallen. In de tweede plaats stelt de EC voor om met ingang van 2019 regels op te stellen voor de toerekening van het intracommunautaire vervoer bij ketentransacties. Dit is van belang, omdat alleen de levering waaraan het intracommunautaire vervoer toerekenbaar belast is met 0% btw. Ook deze regels gelden alleen indien de eerste leverancier in de keten en de tussenschakel in de keten Certified Taxable Persons zijn. In de derde plaats wil de EC vanaf 2019 bewijsvermoedens opnemen in de btw-verordening die het voor voor Certified Taxable Persons makkelijker maken om te bewijzen dat de geleverde goederen zijn vervoerd naar een andere lidstaat.

Btw-identificatienummer afnemer vanaf 2019 voorwaarde nultarief
In art. 12, lid 2, onderdeel a, 2° Uitv.Besl. OB is opgenomen dat het nultarief voor intracommunautaire leveringen alleen van toepassing is indien de leverancier beschikt over het btw-identificatienummer van de afnemer. Het is vaste jurisprudentie van zowel het HvJ als de Hoge Raad dat het beschikken over een btw-identificatienummer van de afnemer geen vereiste is voor het toepassen van het nultarief waardoor het bepaalde in art. 12, lid 2, onderdeel a, 2° Uitv.Besl. OB in de praktijk een dode letter is. Als het aan de EC ligt gaat dit veranderen. Op verzoek van de lidstaten stelt zij namelijk voor om vanaf 2019 het toepassen van het nultarief ook afhankelijk te stellen van het beschikken over een btw-identificatienummer van de afnemer.

 De plannen van de EU zijn ambitieus te noemen. Het enthousiasme van de EC ten spijt hebben wij onze vraagtekens bij de vraag of het belasten van een intracommunautaire levering in de lidstaat van aankomst wenselijk is. Een groot nadeel van deze maatregel is namelijk dat de leverancier moet weten welk btw-tarief geldt in de lidstaat van aankomst. Het behoeft – gezien de vele discussies over de reikwijdte van de verlaagde btw-tarieven in Nederland – geen betoog dat dit zal leiden tot een aanzienlijke lastenverzwaring voor het bedrijfsleven. Dit is slechts anders voor de intracommunautaire goederenlevering tussen Certified Taxable Persons, aangezien voor die transacties een btw-verleggingsregeling gaat gelden. Wij hebben onze vraagtekens bij de stelling van de EC dat met deze maatregel de omvang van de btw-fraude met 80% wordt verminderd. Die inschatting lijkt namelijk geen rekening te houden met de (grote) kans dat btw-fraudeurs zullen uitwijken naar andere btw-fraudemogelijkheden. Voorts betwijfelen wij of er tussen de lidstaten onderling voldoende vertrouwen is te besluiten tot de invoering van een One Stop Shop-regeling voor intracommunautaire leveringen. Deze regeling houdt immers in dat de lidstaat van aankomst de inning van de btw overlaat aan de lidstaat van vertrek. Gelet op onder meer de grote verschillen in de VAT Gaps tussen de verschillende lidstaten valt te betwijfelen of de lidstaten die inning van hun belastinggeld met een gerust hart aan andere lidstaten overlaten. Het is daarom maar zeer de vraag of de ambitieuze plannen van de EC de eindstreep gaan halen. Meer vertrouwen hebben wij in de haalbaarheid van de door de EC voorgestelde vereenvoudigingsmaatregelen per 2019. Niettemin zijn wij geen voorstander van het door de EC voorgestelde onderscheid tussen de Certified Taxable Persons en Non-Certified Taxable Persons. Het is vaste jurisprudentie van het HvJ dat een btw-ondernemer die wist of had moeten weten dat hij betrokken is bij btw-fraude of misbruik geen beroep kan doen op faciliteiten die voortvloeien uit het Unierecht, zoals het recht op btw-aftrek of het nultarief. Met die jurisprudentie in de hand kunnen de door de EC voorgestelde vereenvoudigingsmaatregelen toch al geweigerd worden aan malafide btw-ondernemers. Wij vragen ons daarom af of behoefte bestaat aan het door de EC voorgestelde erkenningssysteem van btw-ondernemers met alle administratieve rompslomp van dien. Het voorstel om het beschikken over het btw-identificatienummer van de afnemer te promoveren tot voorwaarde voor het toepassen van het nultarief zal op steun van de lidstaten kunnen rekenen, aangezien zij de EC om deze maatregel verzocht hebben. Deze maatregel kan echter tot onwenselijke overkill leiden. Indien een bonafide afnemer een btw-identificatienummer heeft aangevraagd, maar dit nummer nog niet voor de levering heeft ontvangen dan moet de leverancier btw in rekening brengen en moet de afnemer deze btw vervolgens weer terugvragen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op