21 oktober 2015Hoofdelijke aansprakelijkheid btw-schulden fiscale eenheid niet strijdig met btw-richtlijn

Hof Amsterdam heeft recent geoordeeld dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een onderdeel van een fiscale eenheid voor btw-schulden van de fiscale eenheid niet in strijd is met de btw-richtlijn. 

Juridisch zelfstandige btw-ondernemers die in Nederland gevestigd zijn, kunnen als één btw-ondernemer worden aangemerkt indien zij financieel, organisatorisch en economisch verweven zijn. De inspecteur van de Belastingdienst kan de fiscale eenheid bij beschikking vaststellen. Een nadelig gevolg van deze beschikking is dat de verschillende onderdelen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de btw-schulden van de fiscale eenheid (art. 43, lid 1 Invorderingswet 1990). Als een onderdeel van de fiscale eenheid niet (meer) voldoet aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid, blijft hij hoofdelijk aansprakelijk voor de btw-schulden van de fiscale eenheid totdat verzocht is om intrekking of wijziging van de fiscale eenheid. 

Een vijftal B.V.’s, waaronder X B.V., vormde samen een fiscale eenheid. C B.V. en D B.V. maakten onderdeel uit van de fiscale eenheid tot hun faillissement op 8 mei 2012. Ook E B.V. maakte tot 15 mei 2012, de datum van faillissement, onderdeel uit van de fiscale eenheid. Met dagtekening 29 mei 2012 is aan de fiscale eenheid een naheffingsaanslag van ruim € 276.000 opgelegd en op 28 augustus 2012 een naheffingsaanslag van bijna € 350.000, die na bezwaar verlaagd is tot ruim € 107.000. X B.V. heeft beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. Het geschil draait om de vraag of de aansprakelijkstelling in strijd is met de btw-richtlijn in samenhang met de rechtsbeginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, zoals X B.V. beweert. 

Rechtbank Noord-Holland heeft in eerste aanleg in deze zaak geoordeeld dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verschillende onderdelen van een fiscale eenheid voor de btw-schulden van de fiscale eenheid niet in strijd is met de btw-richtlijn. De hoofdelijke aansprakelijkheid is bij het ontbreken van een Unieregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde, zodat art. 43, lid 1 Invorderingswet niet strijdt met de btw-richtlijn. De nationale wetgever is bovendien binnen de grenzen van het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel gebleven, omdat het een noodzakelijke maatregel betreft voor de inning van belastingschulden van een fiscale eenheid, aldus de rechtbank. Een fiscale eenheid bestaat immers slechts fiscaal en niet civielrechtelijk, zodat het zonder deze wetsbepaling onmogelijk zou zijn om belastingschulden te innen. Het is evenmin onmogelijk om beslag te leggen bij een fiscale eenheid, omdat deze geen eigenaar van goederen kan zijn. Tot slot wordt de fiscale eenheid vastgesteld bij een voor bezwaar vatbare beschikking, zodat de mogelijkheid van bezwaar openstaat. De rechtbank verklaarde het beroep van X B.V. daarom ongegrond. In hoger beroep verenigt Hof Amsterdam zich met het oordeel van de rechtbank, omdat het betoog van X B.V. in hoger beroep geen nieuw licht op de zaak werpt en er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die tot een andere beslissing leiden. Wel vernietigt het hof een boetebedrag van € 2.161, omdat de inspecteur niet gesteld heeft dat het belopen van deze boete aan X B.V. te wijten is.

Zie