11 mei 2017Herzieningsregeling btw-aftrek uitgebreid tot kostbare diensten

In 2005 is een wetsvoorstel ingediend met wijzigingen van de Wet OB om btw-constructies met (on)roerende goederen aan te pakken. Door de ontwikkelingen in de jurisprudentie, met name de introductie van het leerstuk van misbruik van recht in de btw in het Halifax-arrest, is dit wetsvoorstel in de ijskast gezet. De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer gemeld dat hij in afwachting van de uitkomst in een scholenconstructiezaak (lees: de zaak Gemeente Woerden) dit wetsvoorstel aanhoudt. Daarnaast heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer bericht dat hij één maatregel uit dit wetsvoorstel voornemens is in te voeren, namelijk: de uitbreiding van de herzieningsregeling voor investeringsgoederen tot kostbare diensten. Hiervoor zal hij in het loop van 2017 een internetconsulatie vrijgeven.

De staatssecretaris heeft steeds benadrukt dat hij de btw-besparende constructies van gemeenten, zoals de btw-constructies met schoolgebouwen of sportaccommodatie, onwenselijk vindt. Dit heeft inmiddels geresulteerd in een groot aantal procedures bij de rechter. Slechts in een beperkt aantal van deze procedures heeft de Belastingdienst aan het langste eind getrokken. Hierbij speelt een rol dat de Hoge Raad bij scholenconstructie het leerstuk van misbruik van recht in beginsel niet van toepassing acht. Voor de staatssecretaris en gemeenten zal het daarom van groot belang wat de Hoge Raad gaat beslissen in de aanhangige zaak Gemeente Woerden. Gaat de Hoge Raad om door de levering van schoolgebouwen tegen een lage prijs niet meer als een economische activiteit te beschouwen, zoals A-G Ettema heeft geadviseerd? Of houdt de Hoge Raad vast aan zijn jurisprudentie op grond waarvan de levering van een schoolgebouw door de gemeente tegen een lage, maar niet-symbolische vergoeding kwalificeert als een economische activiteit? Als de Hoge Raad omgaat en het begrip economische activiteit beperkter uitlegt dan betekent dit het einde van de scholenconstructies. Het is daarom begrijpelijk dat de staatssecretaris de uitkomst in deze zaak afwacht alvorens bij besluit of wettelijke anti-constructiemaatregelen nodig zijn. Mocht de Hoge Raad ten aanzien van de levering van schoolgebouwen door gemeenten vasthouden aan de ruime uitleg van het begrip ‘economische activiteit’ dan lijkt het invoeren van een objectieve maatstaf van heffing (de normale waarde), een onderdeel van het wetsvoorstel ter bestrijding van btw-constructies met (on)roerende goederen, een reële optie.

Een ander onderdeel van voormeld wetsvoorstel uit 2005 is het uitbreiden van de herzieningsregeling voor investeringsgoederen tot kostbare diensten. Hierdoor gaat bijv. ook voor kostbare diensten (een verbouwing bijv.) een herzieningstermijn gelden van – kort gezegd – 5 of 10 jaar. De staatssecretaris wil deze maatregel in ieder geval invoeren. Op grond van art. 190 btw-richtlijn is dit toegestaan. Het is nog onduidelijk of deze uitbreiding van de herzieningsregeling alleen zal gelden bij vervreemding binnen de herzieningsperiode aan een gelieerde partij (lees: een anti-misbruikmaatregel), zoals in het wetsvoorstel is voorgesteld, of dat deze uitbreiding in alle gevallen zal gelden. Dit zal de concepttekst die in de loop van 2017 ter consultatie wordt uitgegeven duidelijk moeten maken. Voor kostbare diensten, zoals verbouwingen, die na 2017 worden afgerond zal de praktijk daarom rekening moeten houden dat het recht op btw-aftrek met betrekking tot deze diensten niet definitief zal zijn in het jaar van ingebruikneming. Dit kan, afhankelijk van de situatie, zowel in het voor- (toename aftrekgerechtigd gebruik na jaar ingebruikneming) als nadeel (afname aftrekgerechtigd gebruik na jaar ingebruikneming) van een btw-ondernemer zijn.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op