2 augustus 2018Herziening btw-aftrek dorpshuis mogelijk na aanvankelijk gebruik als niet-ondernemer

Het HvJ oordeelt dat de gemeente alsnog recht heeft op herziening van de aftrek van de aanschaf-btw indien zij bij de aanschaf van het dorpshuis als belastingplichtige heeft gehandeld.

Feiten

De Poolse gemeente Ryjewo heeft in 2009 en 2010 een dorpshuis laten bouwen en het beheer hiervan na oplevering in 2010 om niet overgedragen aan een gemeentelijk cultureel centrum. De gemeente stond sinds 2005 geregistreerd als btw-plichtige en heeft in dat kader ook btw-aangifte gedaan. De gemeente heeft de btw op de bouwkosten van het dorpshuis niet in aftrek gebracht, omdat het dorpshuis niet voor aftrekgerechtigde handelingen werd gebruikt.

Vier jaar nadat de bouw van het dorpshuis is voltooid, heeft de gemeente het voornemen geuit het dorpshuis voortaan ook voor belaste commerciële verhuur te gaan gebruiken. De gemeente is van mening dat zij hierdoor recht heeft op herziening van de aftrek van de voorbelasting die aan haar ter zake van de bouw van het dorpshuis in rekening is gebracht (aanschaf-btw) en verzoekt om een ruling.

Procedure

De Poolse belastingdienst stelt zich op het standpunt dat geen recht bestaat op de gevraagde herziening, omdat het dorpshuis niet in het kader van een economische activiteit is verworven. De Poolse rechter heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. A-G Kokott adviseert het HvJ te oordelen dat de gemeente alsnog recht op herziening heeft van de aftrek van de aanschaf-btw.

HvJ

Het HvJ oordeelt dat het aanvankelijke gebruik van een onroerend investeringsgoed voor onbelaste handelingen niet eraan in de weg hoeft te staan dat de gemeente bij de aanschaf heeft gehandeld als belastingplichtige. Voor dit oordeel acht het HvJ van belang dat de gemeente in deze zaak weliswaar niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat het voornemens is om dit goed te bestemmen voor een belaste handeling, maar ook niet heeft uitgesloten dat dit goed daarvoor zal worden gebruikt. Of de gemeente bij de aanschaf van het dorpshuis als belastingplichtige heeft gehandeld moet de verwijzende rechter beoordelen. Aanwijzingen voor een aanschaf als belastingplichtige in deze zaak zijn: de bestemming en de aard van het dorpshuis die niet aan een (gedeeltelijk) gebruik voor ondernemersdoeleinden in de weg staan, de registratie van de gemeente als btw-plichtige onderneming sinds 2005. Dat het dorpshuis aanvankelijk alleen voor onbelaste handelingen is gebruikt is daarentegen een indicatie voor een aanschaf als niet-ondernemer.

Zoals ook de A-G in zijn conclusie opmerkt, moet bij dit onderzoek worden uitgegaan van een ruime uitlegging van het begrip ‘verwerving als belastingplichtige’. Een dergelijk ruime uitlegging is volgens het HvJ noodzakelijk om te voorkomen dat er btw drukt op het gebruik van het investeringsgoed voor ondernemersdoeleinden (lees: het beginsel van de fiscale neutraliteit).

De gemeente kan bij de aanschaf van een goed dat zowel voor belaste als onbelaste handelingen kan worden gebruikt in twee hoedanigheden optreden (hierna: de aanschafhoedanigheid): als btw-ondernemer of als niet-ondernemer. Uit het Lennartz-arrest van het HvJ volgt dat voor het recht op btw-aftrek en herziening daarvan een aanschafhoedanigheid als btw-ondernemer vereist is. Koopt een btw-ondernemer een goed koopt dat ten tijde van de aanschaf uitsluitend bestemd is voor privédoeleinden dan is sprake van een aanschafhoedanigheid als niet-ondernemer. Het is ook mogelijk dat een goed ten tijde van de aanschaf zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden van de btw-ondernemer bestemd is, zoals een vakantiewoning. In dat geval is sprake van een aanschafhoedanigheid als belastingplichtige, aldus het HvJ in o.a. het arrest Charles en Charles-Tijmens. Dat een goed aanvankelijk eerst volledig voor privédoeleinden wordt gebruikt en pas later (geheel of deels) voor bedrijfsdoeleinden doet hieraan niet af, zo volgt uit het arrest X van het HvJ. Beslissend is of ten tijde van de aanschaf sprake is van een (door objectieve gegevens ondersteund) voornemen om dit goed (mede) voor ondernemershandelingen te gaan gebruiken. In onderhavige zaak trekt het HvJ deze lijn door naar een goed dat aanvankelijk volledig voor niet-ondernemershandelingen wordt gebruikt en nadien (mede) voor (belaste) ondernemershandelingen. Onderhavige zaak is naar onze mening geen afwijking van de arresten Waterschap Zeeuws-Vlaanderen en Lennartz, omdat in die zaken (wel) vastgesteld was dat het goed niet als btw-ondernemer was aangeschaft. In dat geval is herziening van de aanschaf-btw een gepasseerd station. In onderhavige zaak staat de aanschafhoedanigheid (nog) niet vast. De gemeente in deze zaak heeft weliswaar bij aanschaf niet uitdrukkelijk verklaard dat het voornemens is om het dorpshuis te bestemmen voor belaste handelingen, maar heeft dit ook niet uitgesloten. Het is daarom aan de verwijzende rechter om na te gaan in welke hoedanigheid de gemeente bij de aanschaf van het dorpshuis heeft gehandeld. Voor de Nederlandse praktijk is het van belang om op te merken dat herziening van btw-aftrek in een geval als het onderhavige kan leiden tot de verplichting om een ontvangen bijdrage uit het BTW-compensatiefonds te herzien.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op