5 januari 2017Herziening btw-aftrek bij ingebruikneming niet in strijd met btw-richtlijn

Met ingang van 2014 is de integratieheffing afgeschaft. Als overgangsmaatregel gold dat de btw die vanwege de integratieheffing tot 2014 volledig in aftrek was gebracht bij de ingebruikneming van het vervaardigde goed voor btw-vrijgestelde prestaties moest worden terugbetaald. Rechtbank Zeeland-West-Brabant acht deze overgangsmaatregel niet in strijd met de btw-richtlijn.

Tot 2014 moest een btw-ondernemer die op eigen grond een nieuw gebouw liet bouwen dat geheel of deels bestemd was voor btw-vrijgestelde prestaties in het tijdvak van ingebruikname 21% btw betalen over de totale voortbrengingskosten (de waarde van de grond, bouwkosten, leges etc). Vanwege deze zogenoemde integratieheffing mocht de btw-ondernemer de btw op de bouwkosten volledig in aftrek brengen. Met ingang van 2014 is de integratieheffing afgeschaft. Voor lopende bouwprojecten betekende dit dat tot 2014 de btw op de bouwkosten volledig in aftrek was gebracht, maar dat in 2014 of daarna geen integratieheffing was verschuldigd. Om te voorkomen dat btw-ondernemers volledige btw-aftrek zouden krijgen voor de bouw van gebouwen die geheel of deels voor btw-vrijgestelde prestaties gebruikt zouden worden is in Belastingplan 2014 een overgangsmaatregel opgenomen. Deze maatregel houdt in dat de btw-ondernemer de btw-aftrek tot en met 2013 moet herzien in het tijdvak waarin het nieuwe gebouw in gebruik genomen wordt. Daarnaast geldt op grond van art. 15, lid 4 Wet OB dat de btw-ondernemer de genoten aftrek in het tijdvak van ingebruikneming volledig moet herzien.

Een btw-ondernemer die op eigen grond een verpleeghuis heeft laten bouwen, heeft de btw op de bouwkosten in 2013 volledig in aftrek gebracht. In het tweede kwartaal van 2014 is dit verpleeghuis voor btw-vrijgestelde prestaties in gebruik genomen. In de aangifte over dit tijdvak heeft de btw-ondernemer de btw-aftrek die hij in 2013 heeft genoten niet gecorrigeerd. De inspecteur heeft deze btw-aftrek vervolgens nageheven. Aan Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de vraag voorgelegd of dit juist is. De rechtbank oordeelt dat de btw-ondernemer betwist of de herziening op grond van art. 15, lid 4 Wet OB in overeenstemming is met de btw-richtlijn. De rechtbank oordeelt echter dat de naheffingsaanslag niet gebaseerd is op art. 15, lid 4 Wet OB, maar op de overgangsmaatregel in het Belastingplan 2014. De overgangsmaatregel heeft overigens wel hetzelfde resultaat als art. 15, lid 4 Wet OB. Naar het oordeel van de rechtbank is de overgangsmaatregel niet in strijd met het Gemeente Leusden/Holin Groep-arrest van het Hof van Justitie. In dit arrest ging het niet om een situatie waarin voor de herziening van de btw-aftrek een overgangsmaatregel was getroffen. De rechtbank oordeelt dat herziening van het volledige btw-bedrag (in plaats van één tiende van de investerings-btw aan het einde van ieder herzieningsjaar) bij ingebruikneming is toegestaan op grond van art. 184 van de btw-richtlijn. Daarnaast acht de rechtbank de herzieningsregeling van art. 15, lid 4 Wet OB ook niet in strijd met de btw-richtlijn.

 Gelet op het Gemeente Leusden/Holin Groep-arrest kan de vraag gesteld worden of de overgangsmaatregel in het Belastingplan 2014 nodig was. Immers, in dit arrest staat het Hof van Justitie toe dat ook een bestemmingswijziging (van belast gebruik naar vrijgesteld gebruik) door een wetswijziging kan leiden tot herziening van de btw-aftrek. Dat de rechtbank oordeelt dat de overgangsmaatregel niet op art. 187, maar op art. 184 van de btw-richtlijn gebaseerd zou zijn, betwijfelen wij. In de btw-richtlijn is voor de herziening van de btw-aftrek met betrekking tot investeringsgoederen een aantal bijzondere bepalingen dwingend voorgeschreven. Omdat bijzondere bepalingen voorgaan op algemene bepalingen had de rechtbank naar onze mening niet aan de herzieningsbepaling van art. 184, maar aan de herzieningsbepalingen van art. 187 e.v. van de btw-richtlijn moeten toetsen. Gelet op de Gmina Miedzydroje-beschikking van het Hof van Justitie is het maar zeer de vraag of volledige herziening van de btw-aftrek in het tijdvak van ingebruikneming is toegestaan. In deze beschikking oordeelt het Hof van Justitie namelijk dat de Poolse herzieningsomvang van meer dan 1/5 (roerende investeringsgoederen of 1/10 (onroerende goederen) van de investerings-btw in strijd is met art. 187 van de btw-richtlijn. Wij betwijfelen daarom of het Hof van Justitie de conclusie van de rechtbank zou delen. Voor de herzieningsregels verwijzen wij naar 10.5.1.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op