22 mei 2018Golfbaan is geen bouwterrein of erbij bijbehorend terrein

Hof ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld, na tweede verwijzing door de Hoge Raad, dat de golfbaan zich leent voor zelfstandig gebruik. Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat de golfbaan niet kwalificeert als bouwterrein of erbij bijbehorend terrein. De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting is terecht opgelegd.

Feiten

Een BV verkrijgt op 2 augustus 2006 een aantal percelen grond. Deze percelen zijn door de B.V. aangekocht met de bedoeling om daarop een golfbaan aan te leggen. In de akte van levering is uitgegaan van een btw-belaste levering van een bouwterrein en een vrijgestelde verkrijging voor de overdrachtsbelasting (de samenloopvrijstelling, zie 7.11). Voorafgaand aan de verkrijging is de grond bewerkt. Gewassen zijn verwijderd, grasland is gescheurd, grond is uitgegraven met het oog op de aanleg van waterpartijen en er zijn hoogteverschillen in het terrein aangebracht. Verder zijn ten behoeve van het bouwverkeer een weg en een parkeerplaats aangelegd. Na de verkrijging zijn ten behoeve van de aanleg van de golfbaan de volgende werkzaamheden verricht: het aanbrengen van 200.000 m³ zand en toplaag, het verrichten van grondwerk water (150.000 m³), de aanleg van putten en 100 kilometer drainage, het maken van bruggen en waterpartijen met drie beschoeiingen (500 meter), het opmetselen van afslagplaatsen, het realiseren van duikers (440 meter) en bunkers (65 stuks), de aanleg van een toegangsweg, paden (3.500 meter) en beregeningsinstallaties met pomphuizen en het oprichten van schuilhutten. Op later aangekochte belendende grond is een clubhuis gebouwd en een parkeerterrein aangelegd.

Procedure

De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de percelen ten tijde van de verkrijging niet kwalificeren als een bouwterrein en heeft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. De Hoge Raad heeft in de eerste cassatieronde geoordeeld dat van belang is dat eerst vastgesteld is of de golfbaan enerzijds en het clubhuis anderzijds zich na gereedkomen al dan niet lenen voor zelfstandig gebruik. Wanneer van zelfstandig gebruik sprake is, zijn de bewerkingen aan de percelen namelijk uitsluitend geschied met het oog op de aanleg van de golfbaan en niet mede met het oog op de bouw van het clubhuis. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens verwezen naar Hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat – vanuit het perspectief van de speler – de golfbaan zich leent voor zelfstandig gebruik. In dat geval is niet in geschil dat sprake is van een van de heffing van overdrachtsbelasting vrijgestelde verkrijging van een bouwterrein. De Hoge Raad oordeelt dat bij de vaststelling of de golfbaan – los van het clubhuis – zich leent voor zelfstandig gebruik als uitgangspunt geldt dat niet met elkaar verbonden zaken dan wel, indien verbonden, juridisch of fysiek te onderscheiden onroerende zaken afzonderlijk in aanmerking moeten worden wanneer zij afzonderlijk (kunnen) worden gebruikt. Omdat het hof deze toets niet heeft aangelegd, verwijst de Hoge Raad de zaak ter verdere behandeling naar Hof ’s Hertogenbosch.

Hof ’s-Hertogenbosch

Hof ’s-Hertogenbosch is van oordeel dat aannemelijk is dat de golfbaan zich leent voor zelfstandig gebruik. Het Hof acht de beoefening van de golfsport objectief bezien mogelijk op een golfbaan zonder clubhuis. Dat voorschriften van de NGF (Nederlandse Golf Federatie) vereisen dat een golfclub beschikt over een kleedgelegenheid en bijkomende outillage en dat de golfbaan zonder clubhuis niet (rendabel) te exploiteren zou zijn, zijn omstandigheden, die daar naar het oordeel van het Hof niet aan afdoen. De inspecteur heeft immers onweersproken gesteld dat in het buitenland golfbanen zonder clubhuis zijn gelegen die desondanks als golfbanen worden gebruikt. Derhalve kan volgens het Hof niet worden gezegd dat nar maatschappelijke opvattingen een golfbaan en een clubhuis als één in het economische verkeer te gebruiken zaak worden aangemerkt.

Het Hof oordeelt dat op de percelen ook geen sprake is van bebouwing. De Hoge Raad heeft in zijn eerste verwijzingsarrest reeds geoordeeld dat het bewerken van een terrein met natuurlijke materialen en het uitgraven van een terrein om een verdieping aan te brengen of een waterpartij aan te leggen als zodanig geen werkzaamheden zijn die ertoe leiden dat een bouwwerk ontstaat. Dan resteren nog de schuilhutten, pomphuizen, bruggen, parkeerplaatsen, toegangswegen, drainagebuizen, putten, opgemetselde afslagplaatsen, beschoeiing, duikers, rioolgemaal, sproeiers, baaninrichting en beregengingsleidingen en-installaties. Naar het oordeel van het Hof zijn deze met de grond verbonden constructies en kwalificeren deze als bouwwerken. De Hoge Raad heeft echter in zijn eerste verwijzingsarrest geoordeeld dat het oprichten van een bouwwerk dat dienstbaar is aan onbebouwde grond, bijvoorbeeld een drainagebuis in of een hekwerk rond een weiland, niet ertoe leidt dat het terrein heeft te gelden als bebouwde grond. Naar het oordeel van het Hof zijn de pomphuizen, bruggen, parkeerplaatsen, toegangswegen, drainagebuizen, putten, opgemetselde afslagplaatsen, beschoeiing, duikers, rioolgemaal, sproeiers, baaninrichting en beregeningsleidingen en –installaties dienstbaar aan de onbebouwde grond: in zoverre is volgens het Hof derhalve geen sprake van bebouwde grond. Dan resteren enkel nog de schuilhutten. De vraag is of door het oprichten van de schuilhutten kan worden geconcludeerd dat de percelen als geheel hebben te gelden als bebouwde grond. De Hoge Raad heeft in zijn eerste verwijzingsarrest geoordeeld dat bij de beantwoording van die vraag van belang kan zijn de aard van de bouwwerken en de omvang van de op de percelen voorziene bouwwerken en de verhouding tussen het bebouwde en het onbebouwde gedeelte van de percelen. Het Hof acht doorslaggevend dat de schuilhutten houten constructies zijn die eenvoudig verplaatsbaar en verwijderbaar zijn en die een uiterst klein oppervlakte van de percelen beslaan. Het Hof is derhalve van oordeel dat de percelen niet hebben te gelden als bebouwde grond.

Ook is het Hof van oordeel dat het onbebouwde gedeelte van de percelen niet kwalificeert als ‘erbij behorend terrein’. Er is immers geen sprake van een terrein dat naar maatschappelijke opvattingen behoort bij dan wel dienstbaar is aan een gebouw.

Wij zijn het eens met het oordeel van het Hof. Dit is in lijn met een eerder uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch waarin zij oordeelde dat een golfbaan zich leent voor zelfstandig gebruik. De beoefening van golf is objectief mogelijk zonder clubhuis. Ook zijn wij het eens met het oordeel dat geen sprake is van een bouwterrein. Werkzaamheden aan of in de omgeving van onbebouwde grond leidden tot 2017 immers slechts tot een bouwterrein indien deze werkzaamheden zijn verricht met het oog op de bebouwing van de grond. Omdat voormelde bouwwerken op de golfbaan dienstbaar zijn aan de golfbaan, zijn wij van mening dat hiervan geen sprake is. De golfpercelen kwalificeren naar onze mening ook niet als ‘bouwterrein’ onder de nieuwe definitie van het begrip ‘bouwterrein’, sinds 1 januari 2017. Voor meer informatie over bouwterreinen zie 7.6.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op