11 februari 2015Gemeente recht op btw-aftrek voor verzorging gehandicaptenvervoer

Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en tot 2007 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) hebben gemeenten de taak om personen met beperkingen te ondersteunen door onder andere het verlenen van vervoersvoorzieningen. In het kader van de uitvoering van deze wet werkt gemeente X samen met de gemeenten Y en Z op het terrein van het gehandicaptenvervoer. De gemeenten hebben in 1994 bij een gemeenschappelijke regeling een gemeenschappelijk orgaan opgericht dat via een stichting de gemeentelijke verplichtingen uitvoert. De stichting vervoert gehandicapten op vertoon van hun Wgv-pas en tegen betaling van een eigen bijdrage, die verband houdt met het aantal gereden zones binnen en/of buiten de bebouwde kom. 

Naar aanleiding van een uitspraak van Hof Den Haag in 2012, waarin naar voren kwam dat zowel de stichting als elk van de gemeenten met de verzorging van het gehandicaptenvervoer economische activiteiten verricht, heeft de stichting in 2012 alsnog btw in rekening gebracht op facturen aan de gemeente X. Over de periode 2005 tot en met 2012 is totaal ruim € 630.000 aan btw in rekening gebracht, berekend over de door de gemeente X betaalde vergoeding. Gemeente X heeft vervolgens verzocht om teruggaaf van deze btw, waarbij zij heeft aangegeven dat de Belastingdienst de btw die zij verschuldigd is over de eigen betalingen door de gehandicapten, een bedrag van ruim € 99.000, in zijn geheel mag verrekenen met de teruggaaf. De inspecteur van de Belastingdienst heeft het teruggaafverzoek van de gemeente X niet-ontvankelijk verklaard. In geschil is of de gemeente X aan te merken is als btw-ondernemer. 

Rechtbank Den Haag oordeelt in deze zaak dat het vervoer van gehandicapten op vertoon van hun Wgv-pas en tegen betaling van een eigen bijdrage aan te merken is als een economische activiteit. De feiten dat gemeente X de vervoersprestatie heeft uitbesteed aan de stichting en dat niet de gemeente, maar het gemeenschappelijk orgaan de vervoersovereenkomst is aangegaan met de vervoerder, doen daar niet aan af. Er is evenmin sprake van incidenteel handelen, omdat gemeente X de prestatie al jaren verricht. De eigen bijdrage die de gehandicapten betalen is aan te merken als een vergoeding voor de prestatie door de gemeente. Deze bijdrage is weliswaar laag, maar kwalificeert niet als een symbolische vergoeding, aangezien er een rechtstreeks verband bestaat tussen de vervoersprestatie en de eigen bijdrage, waarvan de hoogte gebaseerd is op het aantal gereden zones. Aangezien de vervoersprestatie aan te merken is als ‘personenvervoer’ zoals bedoeld in de btw-richtlijn, is de activiteit van gemeente X niet aan te merken als overheidshandelen, ondanks het feit dat de verzorging van het gehandicaptenvervoer op zichzelf het gevolg is van de verplichtingen die op gemeente X als overheid rusten, aldus het hof. Kortom, gemeente X is voor de verzorging van het gehandicaptenvervoer aan te merken als btw-ondernemer en heeft recht op aftrek van de ter zake daarvan aan haar in rekening gebrachte btw.

Zie