20 maart 2018Gemeente Hellevoetsluis geen btw-aftrek stichtingskosten technisch paviljoen en (school)gebouw

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de levering van een technisch paviljoen en een multifunctionele accommodatie door de gemeente aan een exploitatiemaatschappij geen belaste prestatie voor de btw is.

Feiten

De gemeente Hellevoetsluis (hierna: gemeente) heeft ten behoeve van de huisvestiging van onderwijsinstellingen een technisch paviljoen (hierna: TP) en een multifunctionele accommodatie (hierna: MFA) laten bouwen. Ook is een kunstencentrum gerealiseerd. De stichtingskosten van TP en MFA bedragen tezamen ongeveer €13 miljoen. TP en MFA zijn door de gemeente gekocht en geleverd voor ongeveer €1,3 miljoen aan een exploitatiemaatschappij. In geschil is of de gemeente recht heeft op aftrek van aan haar ter zake van de bouw van TP en MFA in rekening gebrachte btw.

Rechtbank

Rechtbank Den Haag stelt dat de gemeente de btw die haar ter zake van de bouw van TP en MFA in rekening is gebracht in aftrek kan brengen indien en voor zover de levering van het schoolgebouw kan worden aangemerkt als een belaste economische activiteit. Daarvoor moet in ieder geval sprake zijn van een prestatie onder bezwarende titel. De rechtbank stelt vast dat tussen de levering de gebouwen en de betaling van de koopprijs een rechtstreeks verband bestaand en dat de levering daarom heeft plaatsgevonden onder bezwarende titel als bedoeld in art. 2, lid 1, onder a btw-richtlijn. Dat op zichzelf de koopprijs niet kostendekkend was, is geen reden te concluderen dat er geen sprake is van een bezwarende titel.

Volgens de rechtbank volgt echter niet uit de omstandigheid dat een levering onder bezwarende titel heeft plaatsgevonden, dat deze prestatie dient te worden aangemerkt als een economische activiteit. (vgl. HvJ 29 oktober 2009, Commissie/Finland, C-246/08 en HvJ 12 mei 2016, Gemeente Borsele C-520/14). Of sprake is van een economische activiteit dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden waaronder de aan de orde zijnde prestatie is verricht (vgl. HvJ 2 juni 2016, Lajvér C-263/15). Uit het Gemeente Borsele arrest volgt volgens de rechtbank dat het vergelijken van de omstandigheden waaronder de betrokken prestatie is verricht met die waarin dit type economische activiteit in de regel wordt verricht, een van de methodes kan zijn waarmee kan worden bepaald of de desbetreffende activiteit een economische activiteit vormt.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de levering zowel de TP als de MFA aan de exploitatiemaatschappij geen economische activiteit is. De gemeente heeft volgens de rechtbank ten behoeve van de verkoop niet actief stappen ondernomen of middelen ingezet die een ondernemer in de zin van de Wet OB wel zou ondernemen/inzetten. De gemeente heeft desgevraagd geen informatie kunnen geven waaruit blijkt dat zij verkooptechnieken als marketing heeft ingezet. Evenmin heeft zij feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat zij actief op zoek is geweest naar een koper en dat de uiteindelijk betaalde prijs het resultaat was van onderhandelingen. De gemeente heeft zich van meet af aan beperkt tot de exploitatiemaatschappij. Van een situatie waarin vraag en aanbod tegenover elkaar worden gesteld en vervolgens een prijs wordt bepaald, is dan ook geen sprake. Gezien de prijs die de exploitatiemaatschappij heeft betaald voor het schoolgebouw en de kostprijs daarvan acht de rechtbank niet aannemelijk dat de gemeente het schoolgebouw tegen een dergelijk prijs zou hebben geleverd aan een willekeurige derde. De gemeente is in zoverre niet vergelijkbaar met een ondernemer zoals die in het economisch verkeer optreedt. (vgl. HvJ 15 september 2011 Slaby Kúc C-180/10 en C-181/10).

Wij zijn het eens met de conclusie van de rechtbank. Recent heeft Rechtbank Den Haag een zelfde uitspraak gedaan in een soortgelijke casus. Voor ons commentaar verwijzen wij u naar dit nieuwsbericht over de uitspraak van Rechtbank Den Haag. Dit is opnieuw een uitspraak van een ‘lagere’ rechter die afwijkt van Gemeente Aalten- en Gemeente Woerden-lijn van de Hoge Raad. Het lijkt ons – ook gezien de literatuur – voor de Hoge Raad niet vol te houden dat zijn uitleg (die wij niet delen) een acte clair is. Mocht de Hoge Raad in deze of in een andere zaak omgaan dan kan het rechtszekerheidsbeginsel de btw-aftrek in deze zaak nog ‘redden’. Doorprocederen ligt daarom voor de hand.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op