30 oktober 2017Gelegenheid geven tot wedstrijdbridge niet btw-vrijgesteld

Op grond van art. 132, lid 1, onderdeel m btw-richtlijn zijn sommige diensten welke nauw samenhangen met ‘sportbeoefening of met lichamelijke opvoeding’ door niet-winstbeogende instellingen btw-vrijgesteld (hierna: de sportvrijstelling).In de prejudiciële zaak English Bridge Union Limited is aan het HvJ de vraag voorgelegd of wedstrijdbridge, een denksport, voor de toepassing van de sportvrijstelling als een ‘sport’ moet worden aangemerkt. Het HvJ oordeelt dat wedstrijdbridge voor de toepassing van de sportvrijstelling niet als een ‘sport’ moet worden aangemerkt. De beslissing van het HvJ in deze zaak is van belang voor de Nederlandse praktijk.

Feiten
De feiten in deze zaak zijn als volgt. De English Bridge Union Limited (hierna: EBU) is een nationale instelling die verantwoordelijk is voor het administratieve beheer van het bridge-spel in Engeland. EBU organiseert onder andere bridgewedstrijden waaraan leden tegen een betaling van inschrijfgeld kunnen deelnemen. Over deze inschrijfgelden heeft zij btw in rekening gebracht.

Procedureverloop
EBU is van mening dat de sportvrijstelling van toepassing is en verzoekt om terugbetaling van de voldane btw. De Belastingdienst heeft dit verzoek afgewezen. EBU heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de belastingdienst, maar dat beroep is verworpen. In geschil is of wedstrijdbridge een ‘sport’ is in de zin van de sportvrijstelling. Het Upper Tribunal in het Verenigd Koninkrijk, die kennis dient te nemen van het hoger beroep tegen deze beslissing, heeft het HvJ hierover prejudiciële vragen gesteld. A-G Spunzar heeft het HvJ geadviseerd te oordelen dat wedstrijdbridge kwalificeert als een ‘sport’ voor de toepassing van de sportvrijstelling.

HvJ
Het HvJ is het niet eens met het advies van de A-G en oordeelt dat het niet dient uit te maken wat het begrip ‘sport’ in het algemeen betekent, maar dat het begrip moet worden uitgelegd in het kader van de btw-richtlijn. Het HvJ stelt dat in de context van de btw-vrijstellingen, die strikt moeten worden uitgelegd, het begrip ‘sport’ in de richtlijn alleen ziet op activiteiten in de zin van de gebruikelijke betekenis van dit begrip, die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component. Het Hof geeft weliswaar toe dat wedstrijdbridge de inzet van logica, geheugen en strategie vergt en een activiteit kan zijn die ten goede komt aan de geestelijke en lichamelijke gezondheid van degenen die regelmatig wedstrijdbridge spelen, maar oordeelt dat het feit dat een activiteit de lichamelijke en geestelijke gezondheid bevordert, op zichzelf niet volstaat om tot de slotsom te komen dat deze activiteit onder het begrip ‘sport’ in de zin van de richtlijn valt. De omstandigheid dat een activiteit die het lichamelijke en geestelijke welzijn bevordert, in wedstrijdverband wordt uitgeoefend, leidt ook niet tot een andere slotsom. Het HvJ komt tot de slotsom dat een activiteit zoals wedstrijdbridge, die wordt gekenmerkt door een te verwaarlozen lichamelijke component, niet onder het begrip ,sport’ in de zin van de btw-richtlijn valt.

De conclusie van het HvJ leidt er niet toe dat geen enkele vrijstelling van toepassing kan zijn. Het HvJ geeft namelijk aan dat een dergelijke uitlegging niet vooruitloopt op het antwoord op de vraag, of een activiteit met een te verwaarlozen lichamelijke component onder de vrijstelling van culture diensten in de zin van de btw-richtlijn kan vallen wanneer zij, gelet op de beoefening en de geschiedenis ervan en op de tradities waarvan zij deel uitmaakt, een dermate grote plaats in het sociale en culturele weefsel van een land inneemt dat zij als een onderdeel van de cultuur van dat land kan worden beschouwd.

 De beslissing van het HvJ in deze zaak is een beslissing met ingrijpende gevolgen voor de Nederlandse praktijk. De uitleg van de Staatssecretaris van het begrip ‘sport’ kan niet door de Europese beugel. De Staatssecretaris van Financiën meent namelijk dat bridge naar maatschappelijke opvattingen moet worden beschouwd als ‘sport’ voor de toepassing van het 6%-tarief voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening. (zie de Toelichting op Tabel I, post b.3). Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze uitleg van het begrip ‘sport’ niet geldt voor de toepassing van de sportvrijstelling in Nederland. De Staatssecretaris zal zijn besluit moeten aanpassen. De beslissing van het HvJ is niet alleen van invloed op bridgesport, maar ook op andere denksporten zoals schaken.
Voor meer informatie over de sportvrijstelling zie 8.2.4.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op