9 januari 2014Geen recht op aftrek btw transitiekosten ondernemingspensioenfonds

Een ondernemingspensioenfonds voerde tot de datum van liquidatie (1 januari 2012) de collectieve regeling uit van een concern en een aantal voormalige vennootschappen van dit concern (hierna: het concern). Per 31 december 2008 kwam het fonds in een situatie van onderdekking. Het concern was verplicht om dit tekort aan te vullen door het betalen van herstelpremies. Naar aanleiding van de hoogte van de herstelpremies is een geschil ontstaan tussen het fonds en het concern. In juni 2010 heeft het concern aan het fonds kenbaar gemaakt dat hij de pensioenregeling bij Stichting Bedrijdstakpensioenfonds Metalelektro (ME) onderbrengt. Het fonds heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan een overgang van het gehele vermogen en alle aanspraken van de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden aan ME. In april 2011 zijn principeovereenkomsten gesloten waarin staat dat het concern maximaal voor een bedrag van 10 miljoen euro bijdraagt in de overgangskosten.

De pensioenregelingen zijn door een collectieve waardeoverdracht per 1 januari 2012 overgedragen aan ME. Deze collectieve waardeoverdracht is door de inspecteur aangemerkt als een niet-belastbare overdracht van een onderneming ex art. 37d Wet OB. Het fonds heeft aan het concern facturen uitgereikt voor een bedrag van € 9.920.000 plus btw voor de overgangskosten. Het concern heeft deze btw met toestemming van de inspecteur in aftrek gebracht. In verband met de overdracht heeft het fonds in 2010 voor € 607.555 (incl. € 102.694 btw) kosten gemaakt. Deze btw is niet in aftrek gebracht. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd van € 10.402. In bezwaar heeft het fonds verzocht om een teruggaaf van € 92.292 (€ 102.694 – € 10.402). De inspecteur heeft in de uitspraak op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag afwijzend beslist en aangegeven dat geen recht bestaat op teruggaaf.

Naar het oordeel van Rechtbank Gelderland kan zij uitsluitend een beslissing nemen over de naheffingsaanslag, omdat het fonds -hoewel dit mogelijk was- niet heeft verzocht om ook de afwijzing van de teruggaaf in de beroepsfase te beoordelen. De rechtbank stelt vast dat alleen het fonds bevoegd is tot een waardeoverdracht aan ME. Voorts zijn de handelingen van het fonds vrijgesteld van btw-heffing. Het standpunt van het fonds dat zij btw-belaste juridische diensten, adviesdiensten en consultancydiensten aan het concern heeft verricht acht de rechtbank niet aannemelijk. Noch uit de gesloten overeenkomsten noch uit de omschrijvingen op de facturen blijkt dat het fonds dergelijke diensten aan het concern heeft verricht. De rechtbank neem daarbij mede in aanmerking dat het fonds heeft verklaard dat als het concern de transitiekosten niet of slechts gedeeltelijk zou hebben betaald de overgang aan ME toch zou zijn doorgegaan. Bovendien zijn de kosten in 2010 gemaakt, terwijl de principeovereenkomsten op grond waarvan het concern tot een bepaald maximumbedrag bijdraagt in de overgangskosten pas in 2011 zijn gesloten. Ook dit duidt er volgens de rechtbank op dat tussen de werkzaamheden van het fonds en de bijdrage van het concern een rechtstreeks en onmiddellijk verband ontbreekt. Ook de subsidiaire stelling van het fonds, inhoudende dat zij een belaste commissionairsdienst aan het concern heeft verricht, is volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op