15 juli 2015Geen plicht tot ambtshalve vaststelling overschrijding registratiedrempel btw

Het HvJ EU heeft recent geoordeeld dat een lidstaat weliswaar de nodige maatregelen moet treffen om btw-plichtigen te identificeren, maar het aan de belastingplichtige zelf staat om opgave te doen van het begin, de wijziging en het einde van zijn activiteit als belastingplichtige en dat hij er niet zomaar op mag vertrouwen dat hij geen btw verschuldigd is. 

In mei 2011 heeft een belastingcontrole plaatsgevonden bij de Roemeense ondernemer Cabinet Medical Veterinar Dr. Tomoiag? Andrei (hierna: Andrei), een diergeneeskundige praktijk. Naar aanleiding van deze controle heeft de Roemeense fiscus een naheffingsaanslag btw opgelegd voor de diergeneeskundige diensten die Andrei in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2010 heeft verricht. Andrei heeft de aanslag bestreden, met als motivering dat deze diensten tot 1 januari 2010 waren vrijgesteld van btw-heffing of althans, dat twijfel heerste op dit punt, die pas op 1 januari 2010 was weggenomen bij de inwerkingtreding van een nieuw regeringsdecreet, waaruit blijkt dat diergeneeskundige diensten zijn uitgezonderd van de vrijstelling van btw-heffing voor nauw met medische verzorging samenhangende diensten. De Roemeense fiscus bestreed dit bezwaar door aan te geven dat de vrijstelling waarop Andrei zich beroept, al sinds 1 januari 2007 niet meer van toepassing is en dat het regeringsdecreet geen wetswijziging inhoudt, maar enkel een verduidelijking van de bestaande nationale wet. 

De Roemeense rechter vraagt zich in deze zaak af of de fiscus op grond van de btw-richtlijn de verplichting heeft om een belastingplichtige voor de btw te identificeren vanaf het moment dat deze belastingaangiften indient waaruit blijkt dat zijn omzet hoger is dan de (in Roemenië geldende) btw-vrijstellingsdrempel. Ook vraagt de rechter zich af of het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg staat dat in casu btw wordt nageheven. Om die reden zijn twee prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU. 

Het HvJ EU oordeelt in deze zaak, onder verwijzing naar eerdere uitspraken, dat iedere lidstaat verplicht is alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en fraude te bestrijden. Daaruit vloeit onder andere voort dat een lidstaat de aangiften van belastingplichtigen, hun boekhouding en andere relevante documentatie moet controleren, alsmede de verschuldigde belasting moet berekenen en innen. Hieruit, zo overweegt het HvJ EU, kan echter niet worden afgeleid dat een lidstaat een belastingplichtige ambtshalve voor de btw moet identificeren vanaf het moment van indiening van andere belastingaangiften dan btw-aangiften, om te controleren of deze de btw-vrijstellingsdrempel heeft overschreden. De lidstaat moet weliswaar de nodige maatregelen treffen om btw-plichtigen te identificeren, maar het staat aan Andrei zelf om opgave te doen van het begin, de wijziging en het einde van zijn activiteit als belastingplichtige. Verder oordeelt het HvJ EU dat noch het rechtszekerheidsbeginsel, noch het vertrouwensbeginsel eraan in de weg staat dat een fiscus beslist dat diergeneeskundige diensten zoals in de casus onderworpen zijn aan de heffing van btw, mits de beslissing gegrond is op duidelijke regels en de praktijk van deze dienst bij een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer geen redelijk vertrouwen heeft gewekt dat de diensten niet btw-belast waren. Of dit in casu het geval is, zal de Roemeense rechter moeten beoordelen.

Net als in de recente zaak “Salomie en Oltean” oordeelt het HvJ EU ook in bovenstaande zaak dat de belastingplichtige er niet zomaar op mag vertrouwen dat hij geen btw verschuldigd is. Hiermee houdt het HvJ vast aan zijn strikte uitleg van het vertrouwensbeginsel.  

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op