6 december 2017Geen naheffing mogelijk bij ten onrechte afgegeven beschikking fiscale eenheid-btw

Feiten

Een ziekenhuis houdt 51% van de aandelen in BV X. De overige aandelen zijn in handen van BV Y. BV X verleent zorgondersteunende en facilitaire diensten, onder andere aan het ziekenhuis. In 2008 zijn BV X en het ziekenhuis bij beschikking aangemerkt als een fiscale eenheid voor de btw. In 2012 heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat van het begin af aan niet is voldaan aan de voorwaarden voor de vorming van een fiscale eenheid en heeft hij aan BV X een naheffingsaanslag opgelegd ter zake van de aan het ziekenhuis verrichte diensten. BV X ging in beroep en stelde dat zij wel voldeed aan de voorwaarden voor de vorming van een fiscale eenheid btw met het ziekenhuis. Subsidiair stelde BV X dat zij mocht uitgaan van het bestaan van een fiscale eenheid btw, door de afgegeven beschikking.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

De Rechtbank heeft de stelling van de inspecteur verworpen. De inspecteur stelde dat een (middellijk) aandelenbezit van meer dan 50% onvoldoende was om te concluderen tot financiële verwevenheid en dat bovendien was vereist dat het ziekenhuis de aan haar aandelenbezit verbonden zeggenschap kon aanwenden om de financiële posities van beide lichamen in een gewenste onderlinge verhouding te brengen. De Rechtbank is het wel eens met de inspecteur dat geen sprake was van organisatorische verwevenheid tussen BV X en het ziekenhuis. Dat het ziekenhuis een beslissende stem had bij benoemingen, schorsingen en het ontslaan van bestuurders in BV X, is volgens de rechtbank onvoldoende om te concluderen tot organisatorische verwevenheid. Ook het tweewekelijkse overleg dat BV X met het ziekenhuis voerde is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een als eenheid functionerende leiding en dus van organisatorische verwevenheid.

 

De rechtbank vernietigt echter de btw-naheffingsaanslag en verklaart het beroep van BV X gegrond. Volgens de rechtbank is het namelijk in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om de afgegeven beschikking niet te respecteren, ook als is er geen sprake van organisatorische verwevenheid. De omstandigheid dat de beschikking ten onrechte is afgegeven doordat de inspecteur geen kennis heeft genomen van de relevante stukken, komt voor rekening en risico van de inspecteur.

 De beschikking van de inspecteur is geen voorwaarde voor het ontstaan van een fiscale eenheid, maar slechts een bevestiging daarvan. De beschikking is echter niet zonder praktisch belang. Het voordeel van een beschikking is dat het voor btw-ondernemers zekerheid geeft dat voldaan is aan de vereisten voor een fiscale eenheid. Het nadeel van een beschikking fiscale eenheid is het ontstaan van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de btw-schulden. Met het niet vragen van een beschikking voorkomen betrokkenen dat zij hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de btw-schulden van één of meerdere onderdeel/onderdelen van de fiscale eenheid. Betrokkenen kunnen zich, zo zij dat willen, achteraf altijd nog beroepen op het bestaan van een fiscale eenheid mits er uiteraard sprake is (geweest) van verwevenheid in financieel, organisatorisch en economisch opzicht. Als in een bepaalde situatie de hoofdelijke aansprakelijkheid echter geen rol speelt en de wens bestaat elke twijfel over het bestaan van een fiscale eenheid weg te nemen, is het aan te bevelen de inspecteur te vragen de fiscale eenheid bij beschikking vast te stellen. Daarmee worden latere geschillen met de inspecteur voorkomen. Indien partijen niet hadden gevraagd aan de inspecteur de fiscale eenheid bij beschikking vast te stellen, was de btw-naheffingsaanslag wel terecht geweest. Voor meer informatie over de fiscale eenheid btw zie