20 oktober 2015Geen margeregeling wegens doorverkoop nieuwe caravans

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de doorverkoop van nieuwe caravans, ongeacht de wetenschap van de leverancier of afnemer hiervan, niet onder de margeregeling valt. Indien de afnemer niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht om te voorkomen dat de leverancier btw-fraude pleegt dan kan hem dit worden tegengeworpen (lees: de doorverkoop van de caravans valt niet onder de margeregeling).

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Een fiscale eenheid van een holding en een werkmaatschappij heeft in de periode van 2005 t/m 2008 161 caravans van een bepaald merk ingekocht bij leverancier. Deze leverancier heeft op de uitgereikte facturen de term ‘margewagen’ vermeld. De leverancier kocht deze caravans bij een Duitse caravandealer. Deze caravandealer kocht de caravans bij de fabrikant in Duitsland. Bij iedere inkoop van deze caravans heeft de fiscale eenheid een Zulassungsbescheinigung Teil I en II ontvangen. In veel gevallen is de caravan door de fabrikant op naam gezet en heeft de caravan vervolgens enkele dagen op naam gestaan van de Duitse caravandealer. In geen van de gevallen hebben de caravans op naam gestaan van een particulier. De fiscale eenheid verkocht deze caravans door onder de margeregeling. In februari 2009 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. Vervolgens is in maart 2010 een inval door FIOD-ECD gedaan waarbij een naheffingsaanslag is opgelegd van € 268.035 die direct invorderbaar is gesteld. Op de gehele voorraad is beslag gelegd. Uit verklaringen van een ex-werknemer, de leverancier en kopers blijkt dat het ging om nieuwe caravans.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Leeuwarden het beroep van de fiscale eenheid ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft Hof Arnhem-Leeuwarden eveneens geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Omdat de inkoopfacturen voldoen aan de formele vereisten voor toepassing van de margeregeling, volgt -aldus het hof- uit de wetsgeschiedenis van de margeregeling dat de fiscale eenheid in beginsel van de juistheid daarvan mocht uitgaan en dat het risico van de onjuiste toepassing van de margeregeling in de voorafgaande schakels in beginsel niet voor rekening van de fiscale eenheid mag komen. Van dat beginsel moet naar het oordeel van het hof worden afgeweken indien sprake is van btw-fraude. Volgens het hof kon de fiscale eenheid weten dat de Duitse caravandealer geen caravans leverde die voorafgaand aan die levering in handen zijn geweest van een niet-aftrekgerechtigde afnemer. Het beroep van de fiscale eenheid op de schending van het verdedigingsbeginsel en het beroep op het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel wordt door het hof verworpen. Ook het beroep op art. 20, lid 2, tweede volzin Awr (op grond waarvan de naheffingsaanslag aan een ander dan de belastingplichtige wordt opgelegd wanneer te weinig btw is geheven doordat die ander de btw-wetgeving niet heeft nageleefd) wordt door het hof verworpen, omdat de fiscale eenheid zelf de wettelijke bepalingen niet heeft nageleefd.

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat als vaststaat dat goederen in geen van de voorafgaande schakels zijn geleverd door een persoon die geen aftrekrecht heeft, niet voldaan wordt aan de voorwaarden om de margeregeling toe te passen en derhalve -ongeacht de wetenschap van de leverancier en/of afnemer- btw verschuldigd is over de in rekening gebrachte vergoeding. Omdat de uitlatingen van de staatssecretaris inzake de onderzoeksplicht van de wederverkoper (wederverkoper mag in beginsel uitgaan van juistheid inkoopfacturen) zijn gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever (en niet als uitvoerder van de belastingwet) staat dit een gerechtvaardigd beroep op gewekt vertrouwen dat niet van de fiscale eenheid wordt nageheven in de weg. Wel volgt uit de jurisprudentie van het HvJ dat als een ondernemer is afgegaan op verstrekte informatie die achteraf onjuist blijkt te zijn, hij gevrijwaard wordt van naheffing indien hij de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht om betrokkenheid bij btw-fraude te voorkomen. In het oordeel van het hof ligt naar het oordeel van de Hoge Raad besloten dat de fiscale eenheid niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Omdat niet kan worden gezegd dat de te lage btw-heffing is terug te voeren op het niet-naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander, acht de Hoge Raad het juist dat de naheffingsaanslag aan de fiscale eenheid is opgelegd.

Voor meer informatie over de margeregeling zie 12.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op