3 november 2017Geen herziening btw op opfokkosten jongvee en zelf voortgebrachte melkkoeien

Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de btw die drukt op de opfokkosten van het op 1 juli 2013 aanwezige jongvee en melkvee niet voor herziening in aanmerking komt.

Feiten
Een BV exploiteert een melkveehouderij en houdt zich onder meer bezig met het opfokken van kalveren (jongvee) tot melk producerende koeien. Daarbij worden opfokkosten gemaakt, bestaande uit voer en overige kosten, zoals dierenartskosten, strooisel, water en elektriciteit. De BV heeft met ingang van 1 juli 2013 geopteerd voor het niet meer toepassen van de btw-landbouwregeling. In verband met de toepassing van de ‘gewone btw-regeling’ per 1 juli 2013, heeft BV X verzocht om een aanvullende btw-teruggaaf in verband met een btw-herziening voor wat betreft de binnen het eigen bedrijf voortgebrachte kalveren en de in eigen bedrijf gefokte melkkoeien. Het betreft een herziening op  ingekochte leveringen en diensten die onderdeel uitmaken van de opfokkosten. 

Procedure
De inspecteur heeft de aanvullende teruggaaf geweigerd. BV X heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij Hof ‘s Hertogenbosch. 

Hof ’s-Hertogenbosch
Het hof oordeelt in tegenstelling tot de rechtbank dat de btw die drukt op de opfokkosten van het op 1 juli 2013 aanwezige jongvee, die zijn gemaakt in de periode dat de BV de landbouwregeling heeft toepast, niet voor herziening in aanmerking komt. Volgens het hof vormen de opfokkosten namelijk leveringen en diensten die zijn ingekocht en gebruikt voor de instandhouding van het jongvee. Ten aanzien van de btw die drukt op de opfokkosten van de op 1 juli 2013 aanwezig melkkoeien, stelt het hof vast dat deze ook niet voor herziening in aanmerking komt. De opfokkosten zijn namelijk geen goederen waarop voor de IB of de VPB kan worden afgeschreven.

 Het hof oordeelt in tegenstelling tot de rechtbank dat de btw die drukt op opfokkosten niet voor herziening in aanmerking komt. Met betrekking tot de opfokkosten voor het jongvee acht het hof voor dit oordeel doorslaggevend dat sprake is van instandhoudingskosten. De Hoge Raad maakt voor de toepassing van de herziening bij ingebruikneming ex art. 15 lid 4 Wet OB onderscheid tussen instandhoudingskosten en wijzigingskosten. Instandhoudingskosten zijn kosten om een bedrijfsmiddel in goede staat te houden. Deze kosten worden afname onmiddellijk gebruikt waardoor een (latere) herzieningscorrectie op grond van art. 15 lid 4 Wet OB (ingebruikneming in afwijking van bestemming) niet mogelijk is. Onder wijzigingskosten verstaat de Hoge Raad: kosten die wijzigingen aanbrengen aan bedrijfsmiddelen. Op deze kosten is de herzieningsregeling van art. 15 lid 4 Wet OB wel van toepassing. Naar onze mening oordeelt het hof terecht dat de opfokkosten voor het jongvee geen wijzigings-, maar instandhoudingskosten zijn. Dit betekent dat het niet mogelijk is de btw op deze kosten te herzien bij ingebruikneming van het vee tot melkkoe. Het is nog onduidelijk of tegen deze uitspraak cassatieberoep wordt ingesteld. Het RB heeft gevraagd de uitkomst in deze zaak af te wachten en de voorgenomen afschaffing van de landbouwregeling per 1 januari 2018 uit te stellen. Mocht de Hoge Raad worden gevraagd om een oordeel én anders beslissen dan het hof dan zal namelijk pas achteraf – een cassatieprocedure duurt al snel twee jaar – blijken dat de btw op de opfokkosten op grond van de overgangsregeling in het wetsvoorstel tot afschaffing van de btw-landbouwregeling had moeten worden herzien (lees: teruggevraagd) in de eerste aangifte over 2018. Uit de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot afschaffing van de landbouwregeling blijkt dat de Staatssecretaris van Financiën in deze procedure geen reden ziet de afschaffing van de landbouwregeling uit te stellen. De Staatssecretaris van Financiën wijst erop dat de betreffende melkveehouders ter behoud van rechten bezwaar kunnen maken tegen de voldoening op aangifte of de teruggaafbeschikking over het eerste aangiftetijdvak van 2018. Voor melkveehouders die het betreft, verdient het derhalve aanbeveling deze weg te bewandelen. Laat een melkveehouder dit na en neemt de Hoge Raad nadien een voor hem gunstige beslissing dan zal – tenzij een afwijkende regeling wordt getroffen – de inspecteur ambtshalve teruggaaf van deze herzienings-btw weigeren, omdat sprake is van nieuwe jurisprudentie (paragraaf 23, onderdeel 13 Besluit Fiscaal Bestuursrecht). 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op