27 maart 2018Geen duidelijkheid vanuit de Hoge Raad of de gemeente btw in rekening moet brengen bij het gelegenheid geven tot straatparkeren

De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan in een tweetal procedures over de verschuldigdheid van btw inzake straatparkeren. De Hoge raad laat in het midden of straatparkeren ondeworpen is aan btw.

Feiten

Beide procedures zijn vergelijkbaar. In de ene procedure (HR 23 maart 2018 nr. 16/03254) heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Groningen op 6 november 2013 aan een ondernemer een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens het parkeren van zijn voertuig op de openbare weg. De nageheven parkeerbelasting bedroeg € 1,60 en de kosten van de naheffing bedroegen € 56,00. Hij ging in bezwaar en beroep en verzocht om een factuur met btw aan hem uit te reiken voor de in rekening gebrachte parkeerbelasting en kosten.

Procedure

In de ene procedure verklaarde zowel Rechtbank Noord-Nederland als Hof Arnhem-Leeuwarden het bezwaar/beroep ongegrond. Advocaat Generaal Ettema was echter van mening dat de gemeente Groningen btw-plichtig was voor straatparkeren. In de andere procedure (HR 23 maart 2018, nr. 17/03850) verklaarde Hof Den Haag het hoger beroep niet-ontvankelijk. In die procedure heeft de A-G geen conclusie uitgebracht.

Hoge Raad

De HR heeft uitspraak gedaan in beide procedures. Het beroep in cassatie is in beide zaken ontvankelijk. De HR oordeelt dat in een procedure over een naheffingsaanslag parkeerbelasting niet kan worden verzocht om uitreiking van een btw-factuur. Dit omdat het eventuele belang van die factuur een buiten die naheffingsaanslag gelegen belang is en niet een bijkomende rechterlijke beslissing. Verder oordeelt de Hoge Raad dat gemeenten niet verplicht zijn in hun verordening parkeerbelasting te vermelden of dat in het tarief parkeerbelasting een bedrag aan btw is opgenomen. Het nationale recht noch het unierecht bevat volgens de Hoge Raad een dergelijk verplichting. Verder oordeelt de Hoge Raad dat in het midden kan blijven of de gemeente in het parkeertarief een deel btw had moeten onderscheiden.

De praktijk verkrijgt helaas geen duidelijk over de vraag of gemeenten btw-plichtig zijn voor het straatparkeren. De Hoge Raad laat namelijk in deze procedures in het midden of gemeenten bij het aanbieden van straatparkeren aangemerkt moeten worden als btw-ondernemer. Op grond van formele aspecten komt de Hoge Raad niet aan de beantwoording van de inhoudelijke vraag toe. Het is vast beleid (Besluit van 25 januari 2012, nr. BLKB 2012/175M) dat gemeenten voor het straatparkeren niet als btw-ondernemer worden aangemerkt. De uitspraken van de Hoge Raad in deze procedures nopen naar onze mening niet tot aanpassing van dit beleid. Ook op basis van het NRA-arrest kan gesteld worden dat de gemeente niet btw-plichtig is voor het straatparkeren.

In het NRA arrest ging het om het volgende: NRA (National Roads Authority) exploiteert zelf een aantal tolwegen en particuliere exploitanten innen op andere tolwegen tol. De particulieren sluiten daartoe overeenkomsten met NRA. Het HvJ oordeelde dat de NRA niet concurreert met particuliere exploitanten. De NRA verleent namelijk toegang tot een weg tegen betaling van tol, en de particuliere exploitanten innen, op basis van een met de NRA gesloten overeenkomst, op andere tolwegen tol. Het HvJ overweegt daarbij dat de NRA steeds de eindverantwoordelijkheid voor de nationale wegen behoudt, en dat daarbij niet van belang is dat het beheer van een nationale weg is toevertrouwd aan een particuliere marktdeelnemer. Verder merkt het HvJ op dat dat particuliere marktdeelnemers slechts tot de markt voor het ter beschikking stellen van wegeninfrastructuur tegen betaling van tol kunnen toetreden indien de NRA hen daarop toelaat. Ook acht het HvJ van belang dat er geen reële mogelijkheid bestaat dat een particuliere marktdeelnemer toetreedt tot de betrokken markt door een weg aan te leggen die in concurrentie zou kunnen treden met de reeds bestaande nationale wegen. De NRA verricht haar activiteit, wegeninfrastructuur tegen betaling van tol ter beschikking te stellen, in het kader van een specifiek voor haar uitgewerkte wettelijke regeling.

Naar onze mening heeft de gemeente ter zake van het straatparkeren in de gemeente een zelfde beheersmatige rol als de National Roads Authority bij het beheer van de openbare wegen in Ierland. Denk aan: gemeenten kunnen via bestemmingsplannen en via het beheer van de (openbare) ruimte en infrastructuur de private exploitatie van parkeergarages en parkeerterreinen in hun gemeente (on)mogelijk maken, met andere woorden zodanig sterk reguleren dat concurrentie met straatparkeren vrij theoretisch wordt. Daarnaast hebben gemeenten via de heffing van parkeerbelasting ook een sturende invloed op de parkeermarkt in hun gemeente.

Gemeenten kunnen dus (voorlopig) voor het straatparkeren parkeerbelasting blijven heffen zonder hierover btw in rekening te brengen en af te dragen. Zij kunnen dit in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan het Besluit van 25 januari 2012. We gebruiken de term ‘voorlopig’ omdat momenteel nog een procedure aanhangig is over de gemeente Arnhem. Rechtbank Gelderland heeft in die procedure geoordeeld dat de gemeente Arnhem ter zake van het straatparkeren handelt als btw-ondernemer. In lijn met de procedure van de gemeente Groningen zal Hof Arnhem-Leeuwarden mogelijk oordelen dat de gemeente Arnhem ter zake van het straatparkeren niet als btw-ondernemer handelt. Het is maar de vraag of deze zaak uitgeprocedeerd wordt tot de Hoge Raad en indien deze zaak bij de Hoge Raad komt, verwachten wij niet dat de Hoge Raad zal oordelen dat de gemeenten btw-plichtig zijn voor het straatparkeren.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op