17 februari 2015Geen btw-vrijgestelde verhuur door exploitant raamprostitutiebedrijf

Eenmanszaak A exploiteert een raamprostitutiebedrijf op diverse locaties, waarvoor de gemeente exploitatievergunningen heeft afgegeven. De vergunningen en de gemeentelijke regelingen stellen inrichtings- en bedrijfsuitvoeringseisen aan de locatie (zoals openings- en sluitingstijden en lawaaioverlast) en het pand (zoals hygiëne, minimumaantal douches en toiletten en veiligheidseisen). A stelt aan prostituees per dagdeel een werkkamer in combinatie met een vitrine ter beschikking. A zorgt, naast de vergunning, ook voor toezicht en (video)bewaking, onderhoud, beheer, schoonmaak van de kamers en verschoning van beddengoed en handdoeken.

A meent dat de door hem verrichte prestaties aan te merken zijn als vrijgestelde verhuur van onroerend goed en daarom niet zijn belast met btw. De inspecteur van de Belastingdienst, die een tegengestelde mening is toegedaan, heeft over het eerste kwartaal van 2008 een naheffingsaanslag van (destijds) 19% btw opgelegd aan A. Na handhaving van de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar heeft A beroep ingesteld. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van A ongegrond, Hof Den Haag verklaarde het hoger beroep echter gegrond. Na cassatieberoep door de staatssecretaris, dat gegrond verklaard werd door de Hoge Raad, is de zaak verwezen naar Hof Amsterdam.

Hof Amsterdam heeft recent in deze zaak geoordeeld dat de dienstverlening van A kwalificeert als het gelegenheid geven tot prostitutie. De dienstverlening kan niet worden aangemerkt als de vrijgestelde verhuur van onroerend goed, omdat deze niet enkel de terbeschikkingstelling van een werkkamer omvat. Het kenmerkende element van de dienst van A is het aan prostituees aanbieden van een relatief veilige en schone werkplek. Bovendien stelt zij zodanige regels aan het gebruik van de kamers dat niet kan worden gezegd dat zij deze aan de prostituee ter beschikking stelt om deze te kunnen gebruiken als ware zij de eigenaar daarvan. Het feit dat A de schoonmaak van de kamers en de terbeschikkingstelling van beddengoed en handdoeken afzonderlijk factureert, wil niet zeggen dat sprake is van afzonderlijke diensten. Voor de prostituee zijn dit namelijk bijkomende diensten die de huur van de werkplek aantrekkelijker maken en hier zodanig mee verweven zijn dat zij hierin opgaan. Ook het feit dat de prostituees alleen met de beheerder en niet met A zelf te maken hebben, is niet van belang, omdat de beheerder werkzaamheden uitvoert op grond van een met A gesloten overeenkomst. Het hof verklaart het beroep van A ongegrond.

In het op 19 september 2013 verschenen besluit inzake btw en onroerend goed is aangegeven dat het gelegenheid geven tot raamprostitutie kwalificeert als verhuur plus, een prestatie die belast is tegen het algemene btw-tarief. Zie