6 december 2017Geen btw-ondernemer vanwege voorgenomen verkoop zilver

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het incidenteel aankopen van zilver om deze op enig moment te verkopen niet kwalificeert als een economische activiteit. Hierdoor kan deze incidentele handeling niet meedelen in het bestaande btw-ondernemerschap van de ondernemer. De teruggaaf van de in rekening gebrachte btw op de aankoop van het zilver is daarom terecht geweigerd.

Feiten
Een ondernemer drijft een juridische onderneming en kwalificeert hiervoor als ondernemer voor de btw. In december 2011 heeft de ondernemer zilver gekocht met het voornemen om deze te zijner tijd onder gunstige omstandigheden te verkopen. Voor de aankoop van het zilver is btw in rekening gebracht aan de ondernemer, die deze in aftrek heeft gebracht. De inspecteur weigert de btw-aftrek.

Procedure
Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de ondernemer geen recht heeft op teruggaaf van de btw voor de aankoop van het zilver, omdat de ondernemer niet aannemelijk had gemaakt dat zij met de aankoop van het zilver heeft beoogd duurzaam economische activiteiten te verrichten. Ook het enkele voornemen om het zilver te zijner tijd te verkopen leidt niet tot ondernemerschap, omdat de ondernemer namelijk niet optreedt als handelaar in zilver of andere goederen en het bezit van het zilver als zodanig geen inkomsten oplevert. Dat de ondernemer al als ondernemer kwalificeerde op grond van een andere economische activiteit, doet hier niets aan af, omdat de aankoop van het zilver niet als het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de juridische onderneming kan worden aangemerkt.

In cassatie voert de ondernemer het argument aan dat uit het Kostov-arrest kan worden afgeleid dat iedere incidentele handeling die een btw-ondernemer onder bezwarende titel verricht tot zijn economische activiteiten behoort. Dit zou volgens haar ook gelden wanneer zij op enig moment het zilver verkoopt. De Hoge Raad oordeelt dat uit het Kostov-arrest niet kan worden afgeleid dat wanneer een btw-plichtige natuurlijke persoon een incidentele handeling onder bezwarende titel verricht, dit altijd in de hoedanigheid van ondernemer verricht. De incidentele activiteit dient immers een economische activiteit te vormen. Aangezien het incidenteel aankopen van zilver om deze op enig moment te verkopen geen werkzaamheid is van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter en geen exploitatie van een lichamelijke zaak vormt, kan dit niet als een economische activiteit worden aangemerkt. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

In het Kostov-arrest wordt de aanvullende voorwaarde gesteld dat de incidentele handeling an sich ook moet kwalificeren als een economische activiteit, wil deze ook tot de (belaste) economische activiteiten van de btw-ondernemer behoren. De Hoge Raad benadrukt deze voorwaarde en wijst op een belangrijke nuance van de zaak Kostov dat niet álle incidentele handelingen op zich zelf genomen kwalificeren als een economische activiteit, maar alleen die handelingen die duurzaam en tegen vergoeding worden verricht. In casu kon de ondernemer niet of onvoldoende aannemelijk maken dat zij het zilver heeft aangekocht met het oogmerk om dit te gaan verhopen. De aankoop van het zilver leek in dat opzicht eerder op een hobbymatige activiteit waarvoor de ondernemer graag de btw in aftrek wilde brengen, dan op een economische activiteit. Het verschil tussen deze zaak en de zaak van de gemeente Aalten is dat de incidentele verbouwingsactiviteiten die de gemeente Aalten tegen vergoeding verrichtte een economische prestatie an sich is. Bovendien verrichtte de gemeente ook andere economische activiteiten ten aanzien van onroerend goed.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op