12 november 2015Geen btw-aftrek voor stichting die fondsen werft voor voedselbanken

Een stichting die via restaurants fondsen werft voor voedselbanken, heeft slechts recht op aftrek van de btw op de verkoopbevorderende prestaties die zij verricht aan de restaurants en niet op de btw die drukt op haar fondswervingsactiviteiten.
 
Stichting A is in 2012 opgericht door de stichting B, waarbij de lokale en regionale voedselbanken in Nederland zijn aangesloten, en stichting C. Het doel van A is het werven van fondsen ten behoeve van B en de bij haar aangesloten voedselbanken. In december 2012 heeft C een businessplan uitgebracht, waarin is vermeld dat het concept ‘Eén voor voedsel’ (1vV) is ontwikkeld ter dekking van de operationele kosten van de voedselbanken. Het concept van 1vV is dat gasten van restaurants een donatie van € 1 per couvert kunnen doen ten behoeve van de voedselbanken, waarbij de doelstelling is om 100% van die donatie ten goede te laten komen aan de voedselbanken. A heeft vervolgens restaurants benaderd om dit concept uit te voeren. Zij verstrekt aan de deelnemende restaurants een informatiepakket dat bestaat uit diverse on- en offline communicatiematerialen, zoals stickers voor op de voordeur van het restaurant, visitekaartjes voor op de tafels, banners voor de website en een instructiepakket voor het restaurantpersoneel. Na een eerste pilot in 2013, waarbij A geen fee in rekening bracht aan de deelnemende restaurants, is in 2014 een nieuwe pilot gestart, waaraan 33 restaurants meedoen. De restaurants moeten een fee van € 8,33 per maand betalen waarop zij 80% korting krijgen, zodat zij per saldo een fee van € 1,66 per maand betalen. A brengt deze fee in rekening met 21% btw. A heeft een website waarop de deelnemende restaurants zijn vermeld en informatie wordt verstrekt over de wijze waarop en onder welke voorwaarden restaurants kunnen deelnemen. Daarnaast voert A een landelijke publiciteitscampagne. A heeft in 2013 via de deelnemende restaurants € 334 aan donaties ontvangen. Daarnaast heeft zij € 60.000 aan donaties ontvangen, waaronder € 25.000 van B. Met dit geld heeft zij de projectkosten en algemene kosten gefinancierd.
 
In maart 2013 heeft A de inspecteur van de Belastingdienst gevraagd schriftelijk te bevestigen dat zij aan te merken is als btw-ondernemer. In mei 2013 heeft de inspecteur echter laten weten dat A belastingplichtig is voor de btw. Daarop heeft A btw-aangiften ingediend over het tweede en derde kwartaal van 2013, die tot teruggaven leidden. In september en november 2013 is de inspecteur, naar aanleiding van de brief van A uit maart 2013, tot de conclusie gekomen dat A niet kwalificeert als btw-ondernemer. Om die reden heeft de inspecteur in december 2013 naheffingsaanslagen opgelegd ter grootte van de teruggaven. A is hiertegen in verweer gekomen. Tussen partijen is in geschil of A aan te merken is als btw-ondernemer en zo ja, of bij de berekening van de aftrekbare btw een pre-pro rata moet worden toegepast. Daarnaast is in geschil of A aan haar registratie als btw-ondernemer het vertrouwen mocht ontlenen dat zij recht op btw-aftrek heeft.

Naar het oordeel van Rechtbank Gelderland is de vergoeding die A heeft berekend, hoewel onduidelijk is welke calculatie ten grondslag ligt aan de prijsstelling van A en welke kosten hierbij worden doorberekend, niet aan te merken als een symbolische vergoeding, zoals door de inspecteur is gesteld. Er is evenmin sprake van een gekunstelde situatie, omdat aannemelijk is dat A uiteindelijk een zodanige vergoeding in rekening zal brengen aan de restaurants, dat daarmee een flink deel van haar kosten gedekt worden. Aangezien het bovendien mogelijk is dat btw-ondernemerschap ontstaat nog voordat belastbare activiteiten worden verricht, moet worden aangenomen dat A in 2014 kosten heeft gemaakt met het oog op toekomstige belastbare activiteiten. 

Aangezien A zowel economische als niet-economische activiteiten verricht, moet zij de aan haar in rekening gebrachte btw splitsen in een aftrekbaar en niet-aftrekbaar deel (de zogeheten pre-pro rata), tenzij de activiteiten onderling zodanig van elkaar afhankelijk zijn dat zij als één geheel moeten worden beschouwd en daardoor sprake is van algemene kosten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit in casu niet het geval. Het hoofddoel van A is een niet-economische prestatie, namelijk de fondswerving om niet ten behoeve van B. De kosten die A in 2013 heeft gemaakt, hangen direct samen met (de ontwikkeling van) de fondswerving voor C. Het feit dat de restauranthouders bij de uitvoering hiervan worden betrokken, zorgt er volgens de rechtbank niet voor dat alle kosten die A heeft gemaakt moeten worden toegerekend aan de belaste prestaties aan de restauranthouders. De btw die drukt op de kosten voor de fondswerving komt daarom niet voor aftrek in aanmerking. De btw op de kosten die toerekenbaar zijn aan de belaste activiteiten (de verkoopbevordering) en een deel van de btw op de algemene kosten komen wel voor aftrek in aanmerking. Aangezien A in 2013 geen omzet heeft gegenereerd met belaste prestaties en geen inzicht heeft verschaft in de precieze aard van de ingekochte goederen en diensten, zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd, aldus de rechtbank. De rechtbank verwerpt het beroep van A op het vertrouwensbeginsel, omdat uit de brief van de inspecteur van mei 2013 niet blijkt dat A belastingplichtig zou zijn voor al haar activiteiten en daarom volledig recht had op aftrek van de aan haar in rekening gebrachte btw.

Zie 8.2.14 voor meer informatie over de btw-vrijstelling voor fondswervende activiteiten.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op