24 juli 2017Geen btw-aftrek voor schoonmaakbedrijf vanwege deelname aan btw-fraude

Hof Amsterdam oordeelt dat het schoonmaakbedrijf wist of had moeten weten van btw-fraude door de ingeschakelde dienstverleners waardoor de ten onrechte in rekening gebrachte btw niet aftrekbaar is.

In deze zaak gaat het om een B.V. (hierna: het schoonmaakbedrijf) die zich in 2010 bezighoudt met schoonmaak- en opruimwerkzaamheden in gebouwen en op bouwplaatsen. Voor deze werkzaamheden heeft het schoonmaakbedrijf gebruik gemaakt van de diensten van een uitzendbureau en van onderaannemers (hierna: de dienstverleners). Op de facturen die het schoonmaakbedrijf aan haar opdrachtgevers heeft uitgereikt, is de btw-verleggingsregeling toegepast. Op de facturen die de dienstverleners aan het schoonmaakbedrijf hebben uitgereikt, zijn bedragen van in totaal € 57.633 aan btw vermeld. Het schoonmaakbedrijf heeft deze btw teruggevraagd. Twee dienstverleners hebben de op de aan het schoonmaakbedrijf uitgereikte facturen vermelde btw niet aangegeven en ook niet voldaan. De derde dienstverlener heeft in één kwartaal de in rekening gebrachte btw op aangifte voldaan, maar in de overige kwartalen niet. Naar aanleiding van de btw-aangifte over het tweede kwartaal van 2010 heeft de inspecteur bij het schoonmaakbedrijf informatie opgevraagd. Het schoonmaakbedrijf heeft in reactie daarop facturen, betaalbewijzen en een uitdraai van het (omzet)grootboek overgelegd. De Inspecteur heeft vervolgens teruggaaf verleend van het in die aangifte opgegeven btw-bedrag alsmede van de inmiddels bij de aangiften voor het derde en vierde kwartaal 2010 teruggevraagde btw-bedragen.

De inspecteur heeft in 2011 een boekenonderzoek ingesteld waarbij onder meer de juistheid van de verleende btw-teruggaven is onderzocht. Op basis van dat onderzoek heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de dienstverleners de btw-verleggingsregeling hadden moeten toepassen en derhalve ten onrechte btw aan belanghebbende in rekening hebben gebracht, zodat het schoonmaakbedrijf geen recht heeft op btw-aftrek. Om die reden heeft hij de btw-aftrek nageheven. Daarnaast heeft de inspecteur een boete opgelegd van 25%, omdat het schoonmaakbedrijf volgens de inspecteur wist of behoorde te weten dat op zijn verzoek ten onrechte btw-teruggaven zijn verleend. In geschil is of die naheffingsaanslag en boete terecht zijn opgelegd.

Rechtbank Den Haag en Hof Den Haag hebben geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel zich tegen de naheffing van de btw-aftrek verzet, omdat de inspecteur na het verkrijgen van de informatie van de B.V. de btw-teruggaven over het tweede tot en met het derde kwartaal van 2010 heeft verleend. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij deelname aan btw-fraude geen beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Amsterdam voor de vraag of het schoonmaakbedrijf wist of had moeten weten van de btw-fraude door zijn opdrachtnemers.

Hof Amsterdam oordeelt dat sprake is van btw-fraude in de keten doordat de dienstverleners willens en wetens de aan het schoonmaakbedrijf in rekening gebrachte btw niet hebben voldaan. Hiervoor acht het hof van belang dat deze dienstverleners voordat het schoonmaakbedrijf hen inschakelde de btw-verleggingsregeling toepasten, vanaf het moment van inschakeling door het schoonmaakbedrijf stelselmatig met btw zijn gaan factureren en de btw stelselmatig niet op aangifte hebben voldaan. Naar het oordeel van het hof wist het schoonmaakbedrijf van deze btw-fraude, maar had hij in elk geval moeten weten van deze btw-fraude. Hiervoor acht het hof van belang dat het schoonmaakbedrijf die zelf ook in onderaanneming schoonmaakwerkzaamheden verricht wel de btw-verleggingsregeling toepast, twee dienstverleners voor inschakeling door het schoonmaakbedrijf de btw-verleggingsregeling toepasten, het schoonmaakbedrijf met deze dienstverleners vrijwel identieke contracten gebruikte als de contracten die zij sloot met zijn opdrachtgevers met uitzondering van de passage over de btw-verleggingsregeling, geen van deze dienstverleners de gefactureerde btw heeft voldaan, de derde ingeschakelde dienstverlener is opgericht door familie van de leidinggevende van het schoonmaakbedrijf en op het woonadres van laatstgenoemde stond ingeschreven, de leidinggevende bekend was met de schoonmaakbranche en op de hoogte was van de voor die branche geldende btw-verleggingsregeling en de leidinggevende van het schoonmaakbedrijf heeft verklaard in 2012 valse facturen te hebben gekocht van een persoon in een coffeeshop om de daarop in rekening gebrachte btw terug te vragen. Omdat het schoonmaakbedrijf ten minste grove schuld kan worden verweten acht het hof de vergrijpboete van 25% wegens grove schuld passend en geboden.

 Uit door het hof opgesomde feiten komt het beeld naar voren dat de leidinggevende van het schoonmaakbedrijf zelf de initiator is geweest van de btw-fraude. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het hof op basis van de vastgestelde feiten oordeelt dat het schoonmaakbedrijf wist, maar in ieder geval had moeten weten van de btw-fraude door de ingeschakelde dienstverleners. Echter, ook bonafide ondernemers die in een fraudegevoelige sector, zoals de bouwsector, opereren moeten op hun tellen passen. Van ondernemers wordt verwacht dat zij zorgvuldig handelen en al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is doen om betrokkenheid bij btw-fraude te voorkomen. Bij twijfels over de voldoening van btw door de opdrachtnemer en/of twijfels over de juistheid van de inkoopfacturen moet een ondernemer daarom actie ondernemen en niet de ogen sluiten. Laat hij dit na dan kan hem dit duur komen te staan. Voor meer informatie over btw-fraude en signalen van btw-fraude zie